Vuijlsteke, Alec. Slachtoffers van het nationaalsocialisme aan de Universiteit Gent: 80 jaar later, welke herinnering?, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 78(2025), pp. 233–276.
Artikel gepubliceerd naar aanleiding van de plaatsing van drie Stolpersteine voor UGent-slachtoffers van het nationaalsocialisme op 5 november 2025.
Inleiding
De Tweede Wereldoorlog heeft de civitas academica van Universiteit Gent niet onberoerd gelaten. In een aantal gevallen werden persoonlijke ambities, wetenschappelijke carrières of zelfs mensenlevens brutaal gestopt. In dit onderzoek belichten we drie slachtoffers van het nationaalsocialisme aan de universiteit en onderzoeken we in hoeverre en op welke manier de herinnering aan hen en andere slachtoffers na de oorlog in leven werd gehouden. Tot slot trachten we te evalueren hoe de Universiteit Gent dit heeft gedaan in vergelijking met andere universiteiten.
De concrete aanleiding voor dit onderzoek is het initiatief van de universiteit in 2025 om de Duitse kunstenaar Gunter Demnig een eredoctoraat toe te kennen. Demnig (°Berlijn, 1947) studeerde kunst en industrieel ontwerp in Kassel en Berlijn. Vanaf de jaren tachtig begon hij zich toe te leggen op sociaal-kritische kunstprojecten in de publieke ruimte. Internationale bekendheid verwierf hij met het Stolpersteine-project, dat tot doel heeft de herinnering levend te houden aan slachtoffers van het nationaalsocialisme.
In 1990 trok hij naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de deportatie van duizend Roma en Sinti uit Keulen een spoor van verf door deze stad om de voormalige deportatieroute te markeren. Zes jaar later groeide dit initiatief uit tot de eerste Stolpersteine of ‘struikelstenen’.
Hij streefde van meet af aan naar inclusie: niet alleen Joden, maar ook Roma, Sinti, verzetsstrijders, politieke gevangenen en andere vervolgde groepen uit de periode 1933–1945 worden met een struikelsteen herdacht, ongeacht of ze de oorlog overleefden of niet. In België verschenen de eerste struikelstenen pas in 2009 in het straatbeeld.
Verspreid over voetpaden in inmiddels meer dan dertig landen nodigen struikelstenen voorbijgangers uit tot reflectie over individuele levens die door het naziregime werden verwoest. Ze vormen een tastbare herinnering aan de destructieve kracht van uitsluiting en vervolging en roepen op tot waakzaamheid tegenover elke vorm van discriminatie en uitsluiting. Met op vandaag ruim 100.000 geplaatste stenen is Demnigs project het grootste gedecentraliseerde herdenkingsmonument ter wereld. Hoewel dat slechts een fractie is van het totale aantal slachtoffers, krijgt elk individu via deze kleine kassei zijn of haar naam en verhaal terug.
Elke steen wordt gefinancierd via een ‘peterschap’, waarbij burgers of organisaties de kosten op zich nemen. De plaatsing gebeurt vaak met actieve betrokkenheid van de buurt waarin het slachtoffer woonde en draagt bij aan lokale bewustwording. In onderwijscontexten wordt dit ook wel omschreven als community engaged learning, een manier van leren door actief samen te werken met de gemeenschap aan zinvolle projecten. Bij het plaatsen van struikelstenen betekent dit dat families, buurtbewoners en andere betrokken partijen gezamenlijk historisch onderzoek doen, verhalen verzamelen en herdenkingsmomenten organiseren. Zo ontstaat er wederzijdse betrokkenheid en bewustwording waarbij leren en maatschappelijke inzet hand in hand gaan.
In de Gentse publieke ruimte zijn er volgens een telling van 2009 117 herdenkingsmonumenten voor gesneuvelden van de Eerste en/of Tweede Wereldoorlog.1 De eerste struikelstenen in de stad dateren van 2018 en werden geplaatst voor drie leden van de Joodse familie Bloch, op de plaats waar de voormalige gelijknamige bakkerij gevestigd was aan de Veldstraat. In 2019 volgden twintig stenen voor verzetsstrijders, op initiatief van de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden. Onder hen vinden we ook de universiteitsstudenten Carlos Goubau en Michel Cloquet. Nog recenter werden stenen geplaatst voor onder meer geneeskundestudent Wilfried Doussy, de Joodse student Joachim Esberg en de Joodse wetenschapster Martha Geiringer.
In het kader van het eredoctoraat voor Gunter Demnig besliste de Universiteit Gent om Stolpersteine aan te vragen voor een aantal slachtoffers uit de eigen academische gemeenschap. Dit vergde voorafgaand historisch onderzoek en de reconstructie van de levensverhalen van de slachtoffers.
Wanneer er meerdere slachtoffers zijn, is het maken van keuzes in wie men herdenkt vanzelfsprekend moeilijk. Juist daarin schuilt de kracht van de struikelsteen: hij biedt ruimte aan het individuele verhaal, ook wanneer daar vandaag nog maar weinig van bekend is. Zo verhindert hij dat het slachtoffer opgaat in de anonimiteit van een collectief monument, en wordt het straatbeeld letterlijk een plaats van herinnering. Voor de eerste reeks door de universiteit aangevraagde struikelstenen werd gekozen voor Valère Billiet (hoogleraar, man, verzetsstrijder), Falks Epsteins (assistent, man, Joods) en Rifca Schor (afgestudeerd arts, vrouw, Joods). De struikelstenen zullen in respectievelijk de Visserij, Sportstraat en Krijgslaan in Gent aangebracht worden op de adressen waar de respectievelijke slachtoffers hun laatste gekende woonplaats hadden. Hieronder gaan we dieper in op hun levensverhalen, de universitaire context van die tijd en de omstandigheden rond hun overlijden.
De Universiteit Gent tijdens de oorlogsjaren
In mei 1940 vielen de Duitsers België binnen. Dit leidde tot grote chaos en de lessen aan de Universiteit Gent werden meteen gestaakt. Een aanzienlijk deel van het academisch personeel, zo’n 70 van de 167 hoogleraren, nam de vlucht naar Zuidwest-Frankrijk. Dit was ook het geval voor rector René Goubau en de jonge docent Valère Billiet.2 Na de capitulatie van België, tussen juni en november 1940, keerden de meeste professoren terug. Ook Billiet nam opnieuw zijn leerstoel op.
Net als aan de andere Belgische universiteiten, werd de universiteit verplicht zich te schikken naar het gezag van de bezetter. Het toezicht op de universiteiten kwam in eerste instantie in handen van de Duitse nazistische historicus Franz Petri, verantwoordelijke voor het universitair onderwijs bij de Militärverwaltung. Petri wilde vooral vermijden dat er een herhaling van intellectueel verzet tegen de bezetter ontstond aan de Gentse universiteit zoals dit tijdens de Eerste Wereldoorlog het geval was geweest (met als toenmalige boegbeelden de professoren Henri Pirenne en Paul Fredericq)3.
In september 1940 werd rector Goubau samen met andere leden van het academisch personeel zoals voormalig rector August Vermeylen geschorst. Goubau werd vervangen door de collaborerende professor filosofie Herman De Vleeschauwer. Deze werd evenwel in november 1940 collaborerend Directeur-Generaal in het Ministerie van Openbaar Onderwijs bevoegd voor het Hoger Onderwijs en als rector opgevolgd door de chemicus Guillaume De Smet.4
Ondanks de bezettingsomstandigheden werd het onderwijs na de chaos veroorzaakt door de inval vrij snel hervat, met als doelstellingen continuïteit en het behoud van een zekere schijn van normaliteit. Ook in Gent legden de academische overheden zich zonder openlijk protest neer bij een eerste aantal ingrepen van de bezetter zoals het Mitwirkungs– en vetorecht bij benoemingen, het aanduiden van gastprofessoren, het versneld doorvoeren van de anti-Joodse maatregelen en het opgedrongen onderzoek tegen het academisch personeel dat naar Frankrijk was gevlucht.5 Dit handelen door de bezetter ging in tegen artikel 56 van de Haagse Conventie uit 1907 over het oorlogsrecht, dat stelt dat ‘eigendom der gemeenten, van instellingen, gewijd aan godsdienst, liefdadigheid en onderwijs, aan kunsten en wetenschappen, zelfs wanneer het staatseigendom is, als privé-eigendom beschouwd worden. ‘
In tegenstelling tot de Université Libre de Bruxelles die overging tot openlijk verzet en in november 1940 gesloten werd, opteerde Gent voor een beleid van aanpassing aan het nazi-regime dat als ‘geruisloos’ kan omschreven worden.6
Het nationaalsocialistische bewind streefde naar een diepgaande ideologische herschikking van het hoger onderwijs in België en wilde de universiteit een ‘Germaanse oriëntatie’ geven waarbij zowel personeelsbeleid, vakinhoud als studentencultuur onder druk kwamen te staan. De bezetter benoemde Duitsgezinde hoogleraren, onder wie ook professoren van de voormalige Vlaamsche Hoogeschool en organiseerde uitwisselingen van docenten met Duitse instellingen voor vakken als ‘Germanenkunde’ en ‘Rassenkunde’. De nieuwe studentenvereniging Gentsch Studenten Verbond (G.S.V.) werd naar het model van de Nieuwe Orde gevormd, maar stuitte al snel op weerstand binnen de studentengemeenschap.
Ondanks de toenemende nazificatie, bleef grote openlijke confrontatie binnen de academische gemeenschap met de bezetter uit. Wel manifesteerden zich vormen van verzet zoals het aanheffen van vaderlandslievende liederen tijdens colleges van beruchte collaborateurs zoals Herman De Vleeschauwer, het helpen onderduiken van Joodse medeburgers, het afnemen van clandestiene examens bij ondergedoken studenten, het verzamelen van bezwarend materiaal over collaborerende academici en studenten, lesverzuim of uitingen, vanaf 1943, van publiek protest tegen de gedwongen arbeidsdienst die bezetter wilde opleggen.
Een breder netwerk van studentenverzet liet zich gelden via de verspreiding van clandestiene publicaties met diverse politieke achtergronden zoals De Kleine Belg, Vrije Belg, Studentensignaal, Te Wapen, Jong België, Klokke Roeland en Tijl. Sommige van de studenten die hierbij betrokken waren belandden bij het gewapend verzet.7 Dit was ook het geval voor docent Valère Billiet.
Docent-verzetsstrijder Valère Billiet (1903-1945)
Valère Billiet werd in 1903 in Gent geboren als zoon van een postbeambte. Zijn middelbare studies deed hij aan het Koninklijk Atheneum waarna hij wis- en natuurkunde studeerde aan de Universiteit Gent en er in juli 1924 tot Doctor promoveerde. In 1927 werd hij leraar natuurwetenschappen aan het Koninklijk Atheneum en vervolgens ook aan de Middelbare Normaalschool in Gent.
Als fysicus ging zijn interesse aanvankelijk uit naar moderne onderzoeksmethoden voor kristallen, waaronder röntgenanalyse. Na stages in de laboratoria van kristallografen W. F. de Jong in Delft en Charles Victor-Mauguin in Parijs, richtte hij in Gent een vooruitstrevend laboratorium voor röntgenanalyse op.
In 1933 werd Billiet benoemd tot assistent van het Laboratorium voor Mineralogie en Kristalkunde. Hij kon er zich volledig toeleggen op onderzoek naar de structuur en eigenschappen van mineralen. Zijn studie over de kopersilicaten van Katanga wordt nog steeds beschouwd als een referentiewerk en werd bekroond door de Koninklijke Academie voor Wetenschappen van België.
In 1938 richtte hij een leergang op in fysieke stralingsleer voor medici dat op een groeiende belangstelling kon rekenen. Na de inval van de Duitsers week Billiet samen met andere Gentse academici uit naar Frankrijk. Bij zijn terugkomst kon hij zijn leerstoel terug opnemen. In oktober 1941 werd hij vervolgens effectief benoemd tot docent stralingenleer en radioactiviteit aan de faculteit Geneeskunde en sloot er zich aan bij het Centrum voor Gezwelziekten. Billiet zag zijn toekomst echter eerder in de Faculteit van de Wetenschappen, waar hij naar alle waarschijnlijkheid vroeg of laat de leerstoel mineralogie en kristalkunde zou gekregen hebben.
Ondanks de mogelijkheid om zich als academicus afzijdig of gedeisd te houden, koos Billiet als een van de weinige leden van het academisch personeel radicaal voor vormen van verzet die het niet-gewapende verzet van veel van zijn collega’s ver oversteeg.
Gaandeweg werd hij zelfs een van de spilfiguren van de actieve weerstand in Gent. Als redactielid was hij sterk betrokken bij de verzetskrant Het Belfort, waarvan tussen juni 1943 en augustus 1944 vijftien edities verschenen. Als hoofdredacteur fungeerde leerkracht André Alers. Na diens arrestatie op 9 maart 1944, nam literator Achilles Mussche de algemene leiding van Het Belfort over, hierin onder meer door Billiet geholpen.
De gerealiseerde oplagen klommen naar het einde van de bezetting toe gestadig van 600 tot een geschat maximum van 3.000 exemplaren per editie. In totaal zouden ongeveer 30.000 exemplaren gestencild of gedrukt zijn. De financiering hiervan gebeurde hoofdzakelijk via de Gentse liberale voorman en industrieel Henri Story8. Met deze middelen werden ook werkweigeraars en onderduikers ondersteund via de netwerken Solidariteit en Socrates. Onder het pseudoniem Max begon Billiet informatie voor de inlichtingendienst Luc-Marc in te zamelen. Hij paste ook verzet toe binnen de muren van de universiteit zelf: in het Centrum voor Gezwelziekten hielp hij familieleden van patiënten die door de bezetter gezocht werden aan schuilplaatsen en bestaansmiddelen. Toen het net zich meer en meer rond hem begon te sluiten lichtte hij zijn collega’s in het centrum in over wie kon worden geholpen en hoe.9
Na de arrestatie van André Alers in maart 1944 werd Billiet een van de plaatselijke leiders van het Onafhankelijkheidsfront.10 Hij speelde een sleutelrol in het gewapend verzet, de rekrutering en bewapening van Patriottische Milities en de organisatie van sabotageacties. Onder zijn impuls ontstonden bedrijfsmilities, onder meer in de elektriciteitscentrale van Langerbrugge. Op 10 augustus 1944, minder dan een maand voor de bevrijding van Gent, werd Billiet echter in Sint-Denijs-Westrem gearresteerd. Hij was op weg naar Deinze om daar contacten aan te knopen voor een nieuwe verzetskern. Enkele collega-hoogleraren probeerden hem nog, op basis van zijn wetenschappelijk belang, vrij te krijgen maar het mocht niet baten; hij belandde in het concentratiekamp Neuengamme nabij Hamburg. Mede verzetsstrijders poogden de documenten die Billiet nog in zijn bezit had, te verbergen. Een deel werd op de universiteit bewaard, een ander deel verbrand.11 De aanhouding van Billiet leidde tot de vorming van een vierde regionaal comité van het Onafhankelijkheidsfront, net voor de bevrijding.
Opgesloten in Neuengamme, lukte het hem om aangenomen te worden in de medische dienst van het kamp. Hij kon er het leven van een aantal politieke gevangenen redden. In april 1945, bij het naderen van de geallieerden, werd Billiet samen met 17.000 andere kampgevangenen aan boord gezet van vier schepen zoals de Cap Arcona en de Thielbek in de baai van Lübeck. Op 3 mei 1945 bombardeerden geallieerde piloten, die dachten dat het om Duitse troepen ging, deze schepen. Tussen 7.000 en 8.000 gevangenen kwamen om. Billiet werd neergeschoten door een SS’er toen hij reddingsboeien probeerde uit te delen aan zijn zieke medegevangenen. De dag erna, op 4 mei, werd het kamp Neuengamme bevrijd. Zijn vrouw Marguerite bleef alleen achter.
Naast Billiet kwam nog een andere hoogleraar van de UGent om: de Antwerpse handelswetenschapper Karel Verlat (1889-1944). Deze had tijdens de Tweede Wereldoorlog openlijk anti-fascistische en anti-Duitse standpunten ingenomen tijdens de hoorcolleges. Verlat had ook niet geaarzeld om Joodse vrienden bij de Duitse bezetter te verdedigen. Uiteindelijk gearresteerd, stierf hij op 15 april 1944 in de gevangenis ten gevolge van een hartkwaal.12
Na de oorlog werd de herinnering aan Billiet in leven gehouden. Zijn collega professor in de geologie Armand Hacquaert schreef een in memoriam voor Billiet en Verlat in het jaarverslag 1944-45 van de universiteit.13 In november 1945 werd een auditorium naar Billiet genoemd dat nog steeds, weliswaar op een andere locatie, bestaat. Jaarlijks wordt de Prijs Valère Billiet uitgereikt aan een student geologie.14 ‘Billietiet’, het zeldzame radioactieve mineraal dat hij ontdekte in de Katanga, is een blijvende herinnering aan zijn wetenschappelijk werk.
Joodse slachtoffers van de UGent
We schetsen kort het lot van de Joodse slachtoffers van de UGent en gaan vervolgens dieper in op twee van hen. De situatie van de in Gent aanwezige Joden tijdens de oorlogsjaren en na de bevrijding is zeer uitvoerig en minutieus bestudeerd door de Gentse onderzoeker Marc Verschooris in verschillende werken, en meer in het bijzonder in zijn in 2020 verschenen boek ‘Uit de lus van de strop: Gentenaars in de bres voor de Joodse bevolking, 1940-1944’.15
Net zoals in Luik en aan de ULB telde de Universiteit Gent in het interbellum een vrij grote groep Joodse studenten en personeelsleden. Tussen 1922 en 1935 studeerden ieder jaar gemiddeld 478 buitenlandse studenten aan de UGent, van wie vermoedelijk de helft met een Joodse achtergrond, goed voor zo’n 15 % van het totale studentenbestand. Dit hoge aantal zakte echter stevig door de geleidelijke vernederlandsing van de universiteit, wat zeker het geval was na 1935.16 In april 1939 werden bovendien de Belgische grenzen gesloten zodat de vluchtelingen België enkel nog op illegale wijze konden binnenkomen. Niettemin was er bij het uitbreken van de oorlog nog een beperkt aantal Joodse studenten aan de Universiteit Gent (naar schatting minder dan tien) en in de stad woonde bovendien ook een zeker aantal Joodse burgers met een diploma (vaak dat van ingenieur) van deze universiteit op zak17.
Veel van deze (al dan niet voormalige) Joodse studenten waren afkomstig uit Polen en Roemenië en weken in het interbellum uit naar België om te ontsnappen aan toenemend antisemitisme in hun thuislanden. België, en daarbij ook de Universiteit Gent, trok hen aan vanwege het academisch prestige en de opleidingsmogelijkheden in de natuurwetenschappen, ingenieursdisciplines en de geneeskunde. Bovendien was er in het land ook nood aan goed opgeleide ingenieurs in verschillende domeinen; in Gent was dit bijvoorbeeld het geval in de Société d’Électricité et de Mécanique Carels, een bedrijf met internationale weerklank dat dieselmotoren en transformatoren produceerde.
Na een eerste toestroom van vele Oost-Europese Joodse studenten, werd België in de jaren dertig ook een van de belangrijkste landen voor onderdak van vluchtelingen uit nazi-Duitsland18 en, na de Anschluss in 1938, uit Oostenrijk. Naar Gent kwamen bijvoorbeeld de Duitse Nobelprijswinnaar Erwin Schrödinger19 en de Oostenrijkers Hans Handovsky, Martha Geiringer en Paul Fröschel die elders in dit artikel kort aan bod komen.
Vanaf 28 oktober 1940 voerde de bezetter op korte tijd een reeks anti-Joodse verordeningen in. In een van die eerste verordeningen werd nauwkeurig bepaald wie als Jood moest beschouwd worden, een maatregel die radicaal inging tegen de Belgische grondwet. De Belgische overheid weigerde hem dan ook af te kondigen, waarna de Militärverwaltung dit dan maar zelf deed. In dezelfde verordening werd bepaald dat Joden zich kenbaar moesten maken, zich moesten inschrijven in een lokaal register en een rode ‘J’ op hun identiteitspapieren dienden te krijgen. Een klein aantal gemeentebesturen, voornamelijk in Brussel, weigerde om zo’n register aan te leggen.
Dat was evenwel niet het geval in Gent. Het afdelingshoofd van de burgerlijke stand, Maurice De Kezel, bood er desondanks clandestien verzet waar hij ook maar kon.20 272 Joden lieten zich registreren in het eerste register dat werd aangelegd van zowel Belgische Joden als (de meerderheid) Joden met een andere nationaliteit die in de stad verbleven.21 Onder hen bevonden zich ook een aantal personen die in het register als ‘student’ werden aangeduid.
Na de opening van het Jodenregister en het verbod in bovengenoemde verordening voor Joden om nog in de openbare sector werkzaam te zijn, onderwierp rector De Smet zich gedwee aan de bezetter.
In november 1940 stuurde het Secretariaat-Generaal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs een circulaire gemarkeerd als ‘zeer dringend’ met de volgende mededeling: ‘Verzoekt de gezegde verordeningen ter kennis te brengen van uw diensten evenals de leden van het onderwijzend personeel der scholen van elken aard. De personen die het voordeel der op non-actiefstelling wenschen te genieten, dienen zulks voor den 12den december 1940 aan te vragen’.22
Een van de getroffenen was de Weense chemicus Hans Handovsky (1888-1959). Door de opgelegde anti-Joodse maatregelen verloor hij per 1 januari 1941 zijn baan als werkleider in het farmacologisch instituut van Nobelprijswinnaar Corneel Heymans. Daar was hij sinds 1934 werkzaam, nadat hij als Jood aan de universiteit van Göttingen door de nazi’s was ontslagen. Handovsky’s aanwezigheid werd nog ‘gedoogd’ tot in 1942 toen Heymans en de meeste mensen in zijn entourage hem en zijn gezin de rug toekeerden.23
Vervolgens werden de anti-Joodse maatregelen op 30 maart 1941 verder verscherpt met een ad valvas bericht dat Joodse studenten zich bij het rectoraat moesten melden24. In het dossier over de Joodse studenten tijdens de oorlog in het universiteitsarchief vinden we een in het rood handgeschreven ‘inventaris’ van de Joodse studenten met de volgende namen: Marcus Fink, Louis Lelie, David Lustig, Jozef Gunzburg, Jacob Van Engel en de studenten Blusztein en Brandes. Deze twee laatsten waren vierdejaarsstudenten geneeskunde afkomstig uit Polen en waren vermoedelijk uit de gesloten ULB overgekomen.
In zijn verslag van 9 april 1941 aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs Marcel Nyns meldde de rector dat Marcus Fink en Louis Lelie zich hadden aangemeld. Het valt op dat hij, blijkbaar niet gehinderd door een gebrek aan ijver, ook nog een derde student vermeldde, Jozef Gunzburg: ‘Verder meen ik uw aandacht te moeten vestigen op den heer Gunzburg, Jozef Reginald (…) over wien ik geen juiste gegevens heb, maar die zou kunnen Jood zijn. Ik vermeen echter dat dat de Bezettende Overheid volledig over zijn geval gedocumenteerd is.’25
Men kan zich vragen stellen bij De Smets blootstelling van Gunzburg aan mogelijke vervolging. Jozef ‘José’ Gunzburg was immers de zoon van de internationaal bekende rechtsgeleerde aan de UGent Nico Gunzburg (1882-1984). Gunzburg was geboren in Letland en van Joodse komaf. De moeder van José Gunzburg was echter niet-Joods, aangezien Nico Gunzburg getrouwd was met de Vlaamse Henriette Schakewits.26 Nico Gunzburg was aan het begin van de oorlog via omwegen naar de Verenigde Staten kunnen vertrekken en kon op die manier aan vervolging ontsnappen. Rechtenstudent José Gunzburg werd uiteindelijk niet vervolgd en speelde bovendien een uiterst actieve rol in het Gentse studentenverzet, onder meer via het clandestiene studentenverzetblad Jong België27.
Nu de namen ‘officieel’ bekend waren, informeerde de bezetter op 31 oktober 1941 de Secretaris-Generaal dat Joodse studenten zich niet meer mochten inschrijven voor het academiejaar 1941-1942. Indien ze dat wel al waren, moesten ze van de studentenlijsten geschrapt worden, evenwel met de mogelijkheid om het reeds betaalde inschrijvingsgeld terug te krijgen.
De rector deed opnieuw en zonder aarzelen het nodige en de discussie beperkte zich tot de vraag hoe hij het al betaalde inschrijvingsgeld kon terugbetalen. Op 21 november 1941 liet De Smet de Secretaris-Generaal weten dat hij de Joodse studenten van deze maatregel op de hoogte had gesteld. Op 26 november informeerde hij dat student Lustig alvast om de teruggave van het reeds betaalde inschrijvingsgeld had gevraagd.
Na het verbod op inschrijving, liet Secretaris-Generaal Nyns rector De Smet op 5 januari 1942 weten dat volgens de verordening van 1 december 1941 met betrekking tot het Joodse schoolwezen Joodse studenten geen les meer mochten volgen en hun studies niet mochten verderzetten. Indien er toch bijzondere redenen waren om ze te laten verder te studeren was er een speciale toelating nodig van het Militair Bestuur.
Vijf dagen later informeerde De Smet de Secretaris-Generaal dat hij weet had van drie gevallen: David Lustig, Marcus Fink en Jacob Van Engel. Op 19 januari 1942 ondertekende student Van Engel een attest waarin hij verklaarde kennis genomen te hebben van het schrijven van de Secretaris-Generaal van 5 januari 1942 en ‘vanwege den Rector het verbod ontvangen te hebben verder cursussen te volgen.’28 Eerste kandidatuurstudent geneeskunde en zoon van de Gentse rabbijn David Lustig kreeg inmiddels de raad om op te stappen.
Op 13 februari 1942 informeerde het Militair Bestuur: ‘Es wird den Schuler Louis Lelie gestattet, bis zum 15. Juli 1942 seine Ausbildung fortzusetzen. Uber diesen Zeitpunkt hinaus ist ein Schulbesuch nicht erstattet.’ Op 24 februari liet het Militair Bestuur weten echter géén uitzondering te kunnen maken voor Fink en Van Engel alsook tien Joodse studenten aan de Universiteit van Luik. De bezetter verzocht bijgevolg deze studenten effectief van beide instellingen te ‘verwijderen’. Op 14 maart 1942 deelde Rector De Smet deze beslissing mee aan de twee Gentse betrokkenen.
Op 17 maart bepleitte de rector desondanks de zaak van Fink: ‘De heer Fink studeert reeds 6 ½ jaren aan onze Universiteit. Hij doet thans zijn laatste stage en zou binnen een paar maanden zijn einddiploma kunnen behalen. Ik aanzie het als een plicht, gezien de zeer speciale omstandigheden, voor dezen student een bijzondere toelating aan te vragen om zijn studiën te kunnen voltooien.’29 Op 23 april 1942 kwam ook de goedkeuring voor Marcus Fink binnen.30 Hij mocht nog in juli 1942 zijn eindexamen afleggen. Het dragen van de Jodenster was inmiddels sinds 27 mei 1942 verplicht en met de arrestatie en de deportatie van Gentse Joden was in juni 1942 begonnen.
Assistent Falks Epsteins (1912-1942)
Falks Fedor Epsteins werd in 1912 in Letland geboren in een Joods gezin uit de middenklasse. Hij behaalde er met glans zijn diploma middelbare school en mocht in 1932 studies in de dierkunde aanvangen aan de universiteit van Riga.
Letland was in 1918 onafhankelijk geworden en alhoewel de jonge grondwet gelijkheid voorzag onder burgers, werden zoals elders de mogelijkheden voor Joden om verder te studeren of om een universitaire carrière uit te bouwen gaandeweg steeds beperkter. In 1936, het jaar van de Olympische spelen in Berlijn en de rassenwetten in Nazi-Duitsland, besloot Epsteins dan ook uit te wijken naar België. Na een kort verblijf in Antwerpen belandde hij in Gent, waar hij zich al snel goed thuis voelde.
Met zijn grondige kennis van de experimentele zoölogie viel Epsteins op bij de uit Oostende afkomstige professor hydrobiologie Paul Van Oye. Deze waardeerde zijn intelligentie en kennis en nam hem al snel onder zijn vleugels.31 Epsteins behaalde vervolgens in juli 1939 vlot met grote onderscheiding zijn licentiaatsdiploma met een thesis over Phaenokopieën bij drosaphila na bestraling met U.V. stralen.
In het Biogeografisch Laboratorium van Van Oye had hij inmiddels de Vlaamse studente Nora Pieruccini ontmoet, die er les volgde aan het Hoger Instituut voor Opvoedkunde (HIO). In een klimaat van groeiend antisemitisme en anticommunisme werd de Joodse student met communistische sympathieën echter niet meteen als de ideale schoonzoon gezien door haar familie. Tegen de zin van haar ouders trouwden ze desondanks op 15 mei 1939 op het Gentse stadhuis.
Epsteins, die samen met zijn echtgenote actief lid was van de socialistische jeugdbeweging Rode Valken, werd omwille van zijn communistische ideeën en buitenlandse afkomst eveneens met wantrouwen bekeken in de eigen faculteit, bij rector Goubau en bij universiteitsbeheerder-inspecteur Alfred Schoep.
Dit wantrouwen belette een officiële aanstelling aan de universiteit, hoewel hij met toestemming van professor Van Oye wel als persoonlijk assistent aan een doctoraat mocht werken. Het was de bedoeling dit in juni 1940 te verdedigen.32 Na de Duitse inval vluchtte zijn promotor Van Oye samen met de rector en een aantal andere professoren naar Toulouse. Van Oye raakte er gaandeweg evenwel meer en meer gedegouteerd door de besluiteloosheid van de regering-Pierlot en evolueerde zienderogen richting Nieuwe Orde, zoals blijkt uit zijn privé-correspondentie.33 Na zijn terugkeer moest Epsteins bang afwachten of hij zijn doctoraat wel zou mogen verdedigen aangezien zijn promotor als een van de ‘Toulouse professoren’ een tijd lang persona non grata werd en de Duitsgezinde professor Alfred De Waele, met wie zowel Epsteins als Van Oye overhoop lagen, het in de Faculteit Wetenschappen voor het zeggen had gekregen. Later dan voorzien kon hij op 1 oktober 1940 dan toch zijn proefschrift verdedigen en ontving hij zijn diploma van doctor in de wetenschappen. De jury waarvan De Waele deel uitmaakte kende hem een zuinige ‘onderscheiding’ toe.
Met de invoering van de anti-Joodse maatregelen waar de universiteit gedwee aan meewerkte viel Epsteins academische toekomst in duigen. Met aanbevelingsbrieven hielp Van Oye hem evenwel om een plaats te bemachtigen aan de landbouwuniversiteit in zijn geboorteland, waarna het koppel Epsteins-Pieruccini besliste om begin februari 1941 en ondanks de oorlogssituatie naar Letland te vertrekken. Het land was inmiddels sinds juni 1940 door de Sovjet-Unie bezet.
Hun geluk duurde niet lang, want in juli 1941 vielen de Duitsers Letland binnen als onderdeel van Operatie Barbarossa. De rassenwetten werden ook hier onverwijld ingevoerd en als Jood werd Epsteins samen met duizenden anderen in het beknellende getto van Riga opgesloten. Nora Pieruccini moest bewijzen dat ze geen Jodin was, werd op basis van de nazistische rassenwetten gedwongen om van haar echtgenoot te scheiden en diende de Führer hiervoor uitdrukkelijk in een brief te bedanken. Epsteins smeekte haar om naar België terug te keren, maar in februari 1942 werd ook zij opgepakt en, als niet-Joodse, in een gevangenis opgesloten.34 Epsteins laatste bericht aan haar dateert van begin 1942. Vermoedelijk werd hij later dat jaar vermoord ofwel in het concentratiekamp van Salaspils dan wel bij een executie in de Letse bossen. Zijn lichaam werd nooit teruggevonden. Nora Pieruccini kon pas na veel omwegen naar België terugkeren en liet een aantal jaar na de oorlog een ‘akte van vermoedelijk overlijden’ van haar echtgenoot opstellen, gedagtekend 1 juli 1942. Het levensverhaal van het echtpaar Epsteins-Pieruccini werd in 2015 in boekvorm gepubliceerd door UGent alumna Iñez Demarrez.35
Alumna Rifca Schor (1900-1943)
Onder de uit Oost-Europa afkomstige Joodse studenten aan de ULB en de universiteiten van Luik en Gent bevonden zich in het interbellum meer dan duizend vrouwen. De helft was afkomstig uit Polen, een vijfde uit Roemenië en meer bepaald Bessarabië dat eerst Russisch grondgebied was geweest. Anderen kwamen uit landen als Hongarije en Bulgarije.
Het toenemende antisemitisme in hun landen van herkomst was een belangrijke drijfveer om naar landen als België en Frankrijk te komen. Er speelden evenwel nog andere redenen mee: limiterende ingangsquota’s voor Joodse studenten, toegangsbeperkingen voor bepaalde beroepen, krapte op de arbeidsmarkt (en daartegenover juist vraag in bepaalde West-Europese landen zoals België) en het prestige van het Frans als cultuur- en onderwijstaal in Oost-Europa.
De uit Oost-Europa afkomstige Joodse studenten waren doorgaans weinig religieus en meestal sterk geëngageerd in tal van eigen studentenverenigingen met diverse filosofische en ideologische achtergronden. Veel contact met de lokale, zeer goed geïntegreerde Joodse gemeenschap in Gent was er niet echt. Naarmate de toestand van de Joden in hun thuislanden verslechterde, werd ook hun financiële situatie slechter; niet zelden financierden studenten elkaar door afwisselend te werken en te studeren.
Vrouwelijke buitenlandse Joodse studentes werden, nog meer dan de mannelijke studenten, geconfronteerd met heel wat uitdagingen: als buitenlanders, omwille van hun Joodse achtergrond en zeker ook omwille van hun geslacht. Sociologisch, ging het meestal om vrouwen uit de middenklasse of de hogere klassen. Daar waar hun mannelijke Joodse medestudenten vaak voor studies in de natuurwetenschappen, geneeskunde, handel en ingenieurswetenschappen opteerden, kozen de vrouwen meestal voor geneeskunde. In vergelijking met de Belgische studenten waren de slaagcijfers lager bij deze vrouwen, hetgeen te wijten is aan de taalbarrière, hun vaak precaire situatie op vlak van huisvesting en dagelijks levensonderhoud (gezien de ondersteuning die ze kregen van hun families in het thuisland vaak minimaal was), een eventueel huwelijk en de uitdagingen om zich aan te passen aan hun land van onthaal.
De ervaring was niet zelden hard omdat deze vrouwen door de Belgische bevolking soms werden gezien als ‘migranten’, als ‘arme jonge vrouwen’ die alleen durfden te leven, terwijl ze kwamen uit landen waarin ze wel degelijk tot de goed opgeleide middenklasse of hoger hadden behoord.36
Eens hun diploma op zak, was het zowel voor de mannelijke en vrouwelijke studenten niet gemakkelijk om in België te blijven en er te werken. De wetgeving op vreemdelingenarbeid verstrengde vanaf 1929 en de buitenlandse studenten verwierven aan de Belgische universiteiten ‘wetenschappelijke’ in plaats van ‘wettelijke’ graden. Dit systeem liet Belgische universiteiten weliswaar toe om buitenlandse studenten aan te trekken, hetgeen bijdroeg aan het prestige en de internationale uitstraling, maar tegelijk werd hen ook de toegang tot bepaalde beroepen geblokkeerd (in de geneeskunde of de farmacie bijvoorbeeld). Slechts een minderheid verkreeg de Belgische nationaliteit voor de oorlog, de meesten moesten wachten tot de jaren vijftig of zestig.37
Rifca Schor werd op 27 december 1900 geboren in Bălți, een stadje met toen zo’n 22.000 inwoners, gelegen in het vroegere Bessarabië, nu Moldavië38. Deze regio was na de Eerste Wereldoorlog ingepalmd door het koninkrijk Roemenië. Haar ouders waren Sulim Schor en Teper Scheiva en hadden drie kinderen: Samuel, Rifca en Sonia.
Aan het begin van de jaren twintig begon Rifca geneeskunde te studeren aan de universiteit van Iași. Deze universiteitsstad kende toen een bijzonder bloeiende Joodse gemeenschap.39 Daar ontmoette ze haar toekomstige echtgenoot, de vier jaar oudere Ghers Ghiventer, afkomstig uit Soroca in het huidige Moldavië.
Nadat haar broer Samuel reeds eerder naar België was gekomen, kreeg Rifca Schor een visum geldig voor drie maanden afgeleverd door de Legatie van België in Boekarest en kwam ze in België aan op 15 oktober 1923. Daar wilde ze haar studies in de geneeskunde verderzetten. Dit lukte en in 1926 behaalde ze haar diploma in de genees- en verloskunde in Gent, nog steeds eerder een zeldzaamheid voor een vrouw in die tijd. In 1927 werd haar diploma eveneens in Roemenië erkend.
Ze was niet de enige in haar entourage die in Gent studeerde. Zowel haar broer Samuel als haar echtgenoot Ghers studeerden af als ingenieur aan de Universiteit Gent en vonden werk. Dat was het geval eerst bij de Centrales Eléctriques des Flandres et du Brabant en vervolgens in de pas gebouwde grote papierfabriek in Langerbrugge, de Papeteries de Belgique. Het echtpaar kreeg vervolgens twee kinderen: Marcel, geboren in 1931, en Claudine, geboren in 1936.
Rifca’s talent bleef niet onopgemerkt: in 1932 werd haar werk bekroond met de Floribert Soupartprijs voor interne geneeskunde. Haar toekomst leek eerder veelbelovend, maar in juli 1939 sloeg het noodlot voor de eerste keer toe: haar man kwam om het leven bij een tragisch arbeidsongeval in de papierfabriek, waar haar broer Samuel inmiddels als directeur was aangesteld.40 Hij raakte gekneld in een machine en overleed aan een schedelbreuk. Zijn dood haalde de voorpagina van verschillende kranten. Van de ene dag op de andere werd Rifca weduwe met twee jonge kinderen.
Na de Duitse inval en het in voege treden van de anti-Joodse maatregelen liet Rifca zich samen met haar aanverwanten registreren in het Gentse Jodenregister van november 1940. Op 27 maart 1942 gaven ze zich ook op voor het Register van de Jodenvereniging in België, afdeling Gent.41 De bezetter had de creatie van deze vereniging eind november 1941 opgelegd, onder meer als een supplementair middel om de Joden in België in kaart te brengen.
Naarmate het net zich meer en meer sloot rond de Joden in Gent, besloten haar broer Samuel en diens gezin gaandeweg om op diverse plaatsen onder te duiken. Dit had veel te maken met het feit dat Samuel Schor zich van bij het begin tegen de bezetting had verzet. In Gent was hij namelijk een van de eersten geweest om door de Gestapo te worden aangehouden. Eerst in de gevangenis van Gent opgesloten, was hij pas de achtentwintigste Belg om in Breendonk te worden opgesloten. Pas na dertien maanden kon hij vrijkomen.42
Rifca, haar kinderen Marcel en Claudine, haar zus Sonia en haar echtgenoot Joseph vonden het ofwel niet nodig om onder te duiken of konden dit niet op tijd doen. Uiteindelijk sloeg het noodlot opnieuw toe, want op maandagmorgen 11 januari 1943 stond de Gentse afdeling van de Sicherheitspolizei Sipo/SD (afdeling IV.B bevoegd voor Joden) aan de deur van haar huurwoning aan de Krijgslaan 18 in Gent. In het totaal werden die dag vijftien volwassenen en drie kinderen opgepakt. Na een korte passage in de Gentse gevangenis werden Rifca, Marcel, Claudine, Sonia en Joseph overgebracht naar de Dossinkazerne in Mechelen. Daar werden ze geregistreerd voor het transport XIX dat op 15 januari vertrok en op 17 januari in Auschwitz aankwam. Na aankomst werden ze vermoedelijk onmiddellijk naar de gaskamers gestuurd.
Op hetzelfde transport van 627 mensen zat onder meer ook de in Gent wonende biologe Martha Geiringer. Zij was met haar zus Gertrude Wenen moeten ontvluchten en had gehoopt aan de Gentse universiteit haar doctoraat in de biologie te kunnen verderzetten. ‘Men stuurt ons naar Duitschland’ schreef ze op een briefje dat ze uit de trein kon gooien en dat bij de Gentse professor Georges Leboucq terechtkwam. Ook zij kwam niet terug van het transport.43
Slechts tien mensen konden ontsnappen uit transport XIX en slechts zeven personen die op dit specifieke transport zaten keerden terug uit Auschwitz. Tussen 1942 en 1944 werden 25.490 Joden, Roma en Sinti vanuit Dossin gedeporteerd. Slechts ongeveer 5 % overleefde. Rifca Schor kreeg nooit de kans haar beroep uit te oefenen. Ondanks haar jarenlange studies, haar uitzonderlijke bekwaamheid en haar veerkracht, werd haar leven abrupt en gewelddadig beëindigd door de holocaust. Enkel haar broer Samuel en zijn gezin overleefden de oorlog.
Herdenking van de slachtoffers van de UGent
De oorlogsomstandigheden en de afwikkeling van de bevrijding zorgden ervoor dat het academiejaar 1944-1945 eigenlijk pas in januari van start kon gaan. Dit gebeurde zakelijk en zonder veel vertoon. Op 15 januari 1944 vond een rectoraatsoverdracht plaats: professor in de taalkunde Edgard Blancquaert volgde rector René Goubau op. Het normale universitaire leven kwam weer op gang voor meer dan 2.000 ingeschreven studenten.44 De drang was groot bij de bestuurlijke autoriteiten om de vooroorlogse draad zo snel mogelijk terug op te nemen. ‘Studenten moeten studeren en professoren moeten lesgeven’, zei rector Blanquaert tegen student Karel Poma. Deze latere liberale politicus en minister was tijdens de oorlog als student actief in het verzet geweest.
Uit het grondige onderzoek van historicus Dirk Martin over de Rijksuniversiteit Gent tijdens de bezetting 1940-44 blijkt dat er enkel nog over de bezetting gesproken werd tijdens herdenkingsplechtigheden en in de daarmee verbonden artikels en brochures.45
De eerste gelegenheid was ‘V-dag’ 8 mei 1945, dag van de officiële overgave van Nazi-Duitsland. Tijdens een spontane bijeenkomst verwees de nieuwe rector Blancquaert in zijn toespraak uitgebreid naar hetgeen zich op de universiteit had afgespeeld tijdens de bezettingsjaren. Hij sprak niet alleen over het georganiseerde verzet maar ook over het verzet van de enkeling ‘die ‘neen kon zeggen waar het paste.’
De toespraak van de rector werd enkele weken later door de universiteit uitgegeven in een brochure met de titel Weerstand en Bevrijding. Hierin werd uitgebreider verslag gemaakt over de universiteit tijdens de oorlogsjaren. Op 6 juli 1945 werd ze door rector Blancquaert en voormalig rector De Smet aan de pers voorgesteld. In de brochure werd lovend gedaan over de manier waarop de universiteit zich had opgesteld. In eerder heroïsche termen kwam de opstelling van oorlogsrector De Smet aan bod en het feit dat hij ‘dag na dag zijn leven had geriskeerd om zowel professoren als studenten te onttrekken aan de greep van de bezetter’. Zoals blijkt uit de verslaggeving stelde de pers deze lyrische bewoordingen niet in vraag.46
Over de perikelen bij de hervatting van de universiteit na de Duitse overrompeling van België werd in de brochure eerder heen gegleden. Vervolgens werd het dilemma waarvoor de universiteit had gestaan als volgt samengevat: ofwel de door de Duitse bezetter opgedrongen maatregelen onmiddellijk volledig verwerpen, met als gevolg de vrijwel zekere sluiting van de universiteit en de vervanging door een Duits equivalent, ofwel in een minimum van onvermijdelijke inmenging berusten. Er werd voor de laatste optie gekozen: weerstand tegen de Duitse invloed ‘lijdelijk waar het niet anders kon, actief overal elders’.47
Vervolgens kwam het verzet, onder meer tegen de verplichte tewerkstelling, van de studenten aan bod. Over de academische overheden en het onderwijzend personeel werd geschreven dat men ‘bij iedere gelegenheid in anti-Duitschen zin optrad’ en dat rector De Smet geregeld in contact stond met de studenten om hen ‘in hun verzetsbeweging te stijven’. Hij had mee gezorgd voor de vrijlating van de gevangen leden van de raad van bestuur van de ULB, had Secretaris-Generaal Nyns bevoegd voor het openbaar onderwijs aangeschreven om tegen de verplichte tewerkstelling van de studenten te protesteren en was in de bres gesprongen voor het gearresteerde academisch personeel. Het verslag besloot met de vaststelling dat de universiteit ‘in haar geheel één van de meeste actieve centra van den Belgischen Weerstand mag worden geheeten’ en dat ze ‘haar tol aan de vrijheid, hoe zwaar ook’ betaald had.
In de brochure werd ook verwezen naar het lot van de professoren Verlat en Billiet, wier dood op 8 mei zeer waarschijnlijk werd geacht maar nog niet bevestigd was. Eén korte zin werd gewijd aan de Joodse slachtoffers: ‘De Joodsche studenten werden, helaas, nooit meer vrijgelaten.’
De oorlog, de bezetting en de bevrijding werden in de officiële toespraken en brochure vooral gezien in het kader van een crisis van de ‘eenheid en het bestaan van België’. Er kon een nationale les getrokken worden uit deze oorlog die veel ideologischer getint was geweest dan die van 1914-1918. Een zeer klassieke of misschien zelfs ‘ouderwetse’ boodschap dus en Dirk Martin stelt zich de vraag hoe deze overkwam op de nieuwe generatie van studenten.48
De publicatie van de brochure Weerstand en bevrijding waarin de universiteit eerder heldhaftig werd omschreven als ‘een van de meest actieve centra van de Belgische weerstand’ maakte reacties los. André Alers, een van de leiders van het Onafhankelijkheidsfront en verzetskompaan van Valère Billiet, wierp in een schrijven aan de rector op dat een groot deel van de universiteit tijdens de oorlog een zeer afwachtende houding had aangenomen en dat men zelfs had voortgewerkt toen de Duitse bezetter de Belgische wetgeving aantastte. Dat was ook de mening van de studenten uit de verzetsgroep Klokke Roeland. Alers liet ook aan het tijdschrift Front van het Onafhankelijkheidsfront weten dat men, in tegenstelling tot wat de brochure scheen te beweren, tijdens de oorlog juist had moeten vechten tegen algemeen klimaat van apathie en attentisme aan de universiteit onder de bezetting.49
Het kwam echter nooit tot een open debat tussen de nieuwe academische overheid en deze dissidente stemmen. Wel integendeel, de universiteit bleef zich profileren als ‘verzetsuniversiteit’. De discussie doofde bovendien al snel uit, mede door de drang – zoals ook in andere geledingen van de maatschappij – om over te gaan tot de orde van de dag en de naoorlogse uitdagingen aan te pakken.
Uit het onderzoek van Martin blijkt dat de universiteit weliswaar niet onder diepgaande Duitse of nationaalsocialistische invloed had gestaan, maar inderdaad zeker geen actieve haard van verzet was geweest. Net zoals het bestuurlijke apparaat werkte de academische overheid eerder gedwee mee met de bezetter en heerste er eerder een ‘attentistisch’ klimaat van geduldig afwachten tot het vertrek van de bezetter.
Enkele maanden later, op 12 november 1945, begon het academisch jaar voor de eerste keer sinds het uitbreken van de oorlog met een plechtige openingszitting. Dezelfde dag werd in de wandelzaal van de Aula een gedenkplaat onthuld voor zij die voor het vaderland stierven. Er werd gekozen voor een voorlopige oplossing aangezien de namenlijst van alle slachtoffers nog niet volledig was.50 Deze voorlopige oplossing hangt er evenwel nog steeds: het betreft een paneel met zilveren kader en een reeks van veertien naamplaatjes die met pennen werden vastgemaakt en waar het opschrift Pro patria et libertate ceciderunt op staat.51
In hun toespraken brachten rector Blancquaert, professor Hacquaert, student Vermaesen en secretaris Vandenbroeck hulde aan zij die voor het vaderland waren gestorven. Hierin was minder sprake van de aanvankelijke nogal ‘heldhaftige’ toon over het verzet aan de universiteit tijdens de bezetting. Rector Blancquaert eerde de geallieerde bevrijders, professor Baur die tijdens de eerste dagen van de bezetting even rector ad interim was geweest en voormalig rector De Smet.
Vervolgens huldigde hij de doden van de civitas academica alsook zij die in het georganiseerd verzet waren gegaan. De rector voegde eraan toe dat deze laatsten hem bijna allemaal hadden gevraagd hun namen niet bekend te maken omdat zij er niet mee wilden pronken. Zij hadden hun leven geriskeerd ‘voor hun land en voor de democratie, tegen het nazisme, tegen de verdrukking’ en hadden ‘de schande van de collaboratie vergoed’. Blancquaert wilde echter wel hun verzetsdaden vermelden en wees erop dat dit betrekking had op ruim 30 leden van de academische staf, 56 studenten en 17 bedienden, maar dat de lijst verre van volledig was. Hij verwees naar de verzetsactiviteiten van het Onafhankelijkheidsfront, Solidariteit, het Geheim Leger, de Belgische Militaire Weerstands-organisatie, de Belgische Partisanen en de Inlichtingendienst. Ze hadden financiële, ‘zedelijke of daadwerkelijke’ steun geboden, Joden verborgen gehouden, sluikpers geschreven of verspreid, sabotage gepleegd, examens afgenomen van ondergedokenen, opdrachten vervuld in naam van de regering in Londen of meegevochten bij de bevrijding.
Student J. Vermaesen sprak over de voormalige studentenpopulatie en bracht de slachtoffers onder in drie groepen: militairen, weerstanders en Joodse slachtoffers. Het betrof de militairen Lucien Simoen, Freddy Verhaegen, Joseph De Puysseleer, André Schaepdrijver, August De Wulf en Leo De Meulenaere; de weerstanders Leon Verspeelt, Wilfried Doussy, Pierre Dossche, Roger Lombaerts, Gustaaf Pijcke, Jan Van Steenweghe, Gilbert Lecompte, Jean Haus, Michel Cloquet, Carlos Goubau, Daniel Dauwe, Karel Wilms, Jules Stroobandt, André Mandryckx, Daniel De Vries en Jan De Buck en, tot slot, de Israëlitische studenten David Lustig en Joachim Esberg die ‘om hun geloof werden gedeporteerd en waarschijnlijk ook tot de slachtoffers van het nazisme moeten worden gerekend’.52
Secretaris van het rectoraat R. Vandenbroeck wees op de taak van de overlevenden om ervoor te zorgen dat de slachtoffers niet nodeloos hun leven hadden moeten laten en vermeldde de drie slachtoffers onder het niet-academisch personeel: de technici Roger Pouilliez, Theo Meirschaert en André Tavernier.53
De bezetting kwam een laatste keer volop in de belangstelling naar aanleiding van de onthulling van het ‘Auditorium Valère Billiet’ op 20 november 1945. Persoonlijke vriend van Billiet, professor in de geologie Armand Hacquaert hield de gelegenheidsrede, gevolgd door een speech van geneeskundeprofessor Paul De Backer.54 Deze laatste bracht hulde aan het feit dat Billiet een van de eersten was die was opgestaan en zijn leven geriskeerd had. Het Billiet-auditorium zou een blijvende herinnering zijn aan de persoon, zijn werk en het offer dat hij bracht. De studenten zouden beseffen dat, naast het verstand, ook het karakter van een mens van belang is, en dat ‘de harmonische ontwikkeling van beide de volwaardige mens vormt.’55
Na het afsluiten van de epuratie en de ‘definitieve’ heldhaftige beeldvorming over het verzet aan de universiteit werd het stil over de universiteit tijdens de bezettingsperiode. Men ging over tot de orde van de dag en de universiteit keek naar de toekomst. Alleen in ex-collaboratiekringen werd tot 1946 nog een tijdlang gewezen op de volgens hen overdreven manier waarop de universiteit als verzetsuniversiteit was afgebeeld.56
Op 14 oktober 1946 werd wel nog een gedenkplaat onthuld voor de ULB-studenten die onderdak hadden gevonden in Gent nadat de Brusselse universiteit onder de bezetting was gesloten. Ingenieur Charles Frerichs die als voorzitter van de raad van bestuur van de ULB in november 1941 de universiteit had moeten sluiten gaf een toespraak waarin gewezen werd op de solidariteit die er was geweest tussen de twee universiteiten.57 Rector De Smet had samen met de voorzitter van de Universitaire Stichting, het NFWO en de andere Belgische rectoren geprotesteerd tegen de aanhouding van de leden van de raad van bestuur van de ULB met hun uiteindelijke vrijlating tot gevolg.58 De plaat werd gezien als een symbool van het gemeenschappelijk verzet tegen de gemeenschappelijke vijand. Na de moeilijke oorlogsperiode keek men in de toespraken ook erg uit naar de toekomst met het besef dat in de nieuwe wereld na 1945 veel meer onder universiteiten zou moeten samengewerkt worden. In de faculteit Bio-Ingenieurswetenschappen aan de Coupure werd eveneens een gedenkplaat gehangen voor de landbouwingenieurs die in 1940-45 waren omgekomen: Charles Delbeke, Denis Keppens, Cyriel Van Verdegem en de Joodse student Louis Lelie.59
In 1949 vinden we nog een herinneringsspoor terug aan Joods slachtoffer Falks Epsteins, hierboven besproken, in het Biologisch Jaarboek van het Koninklijk Natuurwetenschappelijk Genootschap Dodonaea. De 63-jarige professor en Paul Van Oye schreef er in zeer lovende termen over zijn beloftevolle leerling Epsteins: ‘Onverbiddelijk was het noodlot voor Epsteins. Reeds in juli 1942 werd bij door de Sicherheitspolizei weggevoerd. Hij viel als strijder voor zijn ideaal, zonder dat men tot op heden weet hoe en in welke omstandigheden’.60 Dat Epsteins omwille van zijn Joodse afkomst was vervolgd, werd niet in zoveel woorden vermeld. Het artikel besloot met een overzicht van Epsteins wetenschappelijke publicaties en werd gevolgd door de herpublicatie van een oorspronkelijk door Epsteins geschreven artikel in het Duits over ‘Die Entwicklung und die imaginale Differentiation der Puppalflügel: Histologische und Entwicklungsphysiologische Untersuchungen’. In datzelfde artikel had Epsteins Professor van Oye bedankt voor de drie gelukkige jaren die hij in zijn laboratorium had kunnen doorbrengen.
Vervolgens is het wachten tot 1985 wanneer naar aanleiding van 40 jaar einde van de Tweede Wereldoorlog de universiteit een zeer grondige en kritische studie publiceert van de hand van Dirk Martin, als historicus verbonden aan het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog: De Rijksuniversiteit Gent tijdens de bezetting 1940-44. Leven met de vijand, Gent, Universiteit Gent, uitgegeven in de publicatiereeks van het Archief van de Rijksuniversiteit Gent.
Zeven jaar later, in 1992, vierde de universiteit haar 175-jarig bestaan. In het grote chronologisch opgestelde naslagwerk dat over de geschiedenis van de universiteit werd gepubliceerd kwamen ook de oorlogsjaren, de collaboratie en het verzet aan bod, de Joodse UGent slachtoffers evenwel niet.61
Het eerste formele herdenkingsinitiatief voor de Joodse slachtoffers liet meer dan een halve eeuw op zich wachten en werd opgestart door de Gentse Joodse gemeenschap zelf, onder impuls van hun bestuurders UGent Professor Frederik Kuliasko, Jacques Bloch en Eliane Sperling. Op 14 mei 1996 werd, in het bijzijn van de pers62, in het peristilium van de Aula aan de Voldersstraat een herdenkingsplaat onthuld met de namen van vijf studenten en één assistent die omwille van hun Joodse afkomst werden vermoord onder het nationaalsocialisme. De plaat is in roze marmer met daarop een Davidsster en het opschrift ‘Slachtoffers van de Shoah 1940-1945’ (השואה קרבנות, Korbanot Ha’Shoah ofwel ‘slachtoffers van de holocaust’). De assistent die vermeld wordt op de plaat, Falks Epsteins, kwam hierboven reeds aan bod. De vijf herdachte studenten waren David Lustig, Marcus Fink, Joachim Esberg, Jacob Van Engel en Louis Lelie.
We schetsen beknopt hun parcours aan de universiteit en de noodlottige afloop:
David Lustig (°Antwerpen, 1922) woonde aan de Coupure 19. Tijdens het academiejaar 1941-1942 was hij student eerste kandidatuur geneeskunde. Nadat hij eerst was geïnformeerd dat hij niet langer welkom was op de universiteit kreeg hij op 26 november 1941 het koude bericht dat zijn inschrijvingsgeld zou terugbetaald worden. Hij werd gedeporteerd naar Auschwitz met Konvooi XXIIb op 20.9.1943 (nr. 3). Ook zijn vader, rabbijn van de Joodse gemeente in Gent, zijn moeder en zijn zuster werden gedeporteerd en kwamen niet meer terug.
Marcus David Fink (°Antwerpen, 1914) was in het academiejaar 1941-1942 student vierde doctoraat geneeskunde. Op verzoek van rector De Smet gaf de Militärverwaltungschef op 23 april 1942 aan Fink de toelating om zijn medische studies te voltooien. Hij slaagde in eerste zittijd in 1942 met voldoening. Hij werd gedeporteerd op 25.8.1942 (Konvooi V, nr. 294) en kwam niet terug.
Joachim Esberg (°Hannover, 1916) was door zijn moeder Suse Esberg vanwege het opkomende antisemitisme in nazi-Duitsland naar België gestuurd. Hij raakte na het afsluiten van zijn middelbare studie aan Koninklijk Atheneum in het academiejaar 1939-1940 tot in de eerste licentie Germaanse filologie waar hij evenwel geen examen meer kon afleggen aangezien hij samen met zijn vader in mei 1940 als ‘vijandelijke buitenlander’ door België geïnterneerd werd in Frankrijk, eerst in Saint-Cyprien en daarna in Gurs. In augustus 1942 werd hij vanuit Frankrijk gedeporteerd naar Auschwitz waar hij datzelfde jaar omkwam.63
Jacob Van Engel (Brussel, 1920) was in het academiejaar 1941-1942 ingeschreven in de tweede kandidatuur natuur- en geneeskunde. Na het eerste trimester werd hij verplicht de universiteit te verlaten, waarna hij op 19 maart 1942 de terugbetaling van zijn inschrijvingsgeld vroeg. Hij was geregistreerd in het Jodenregister van Antwerpen. Van Engel werd gedeporteerd vanuit Kazerne Dossin met Konvooi XXIII (nr. 630) op 15.1.1944.
Louis Lelie (°Rotterdam, 1920) zat in het academiejaar 1941-1942 in de tweede kandidatuur landbouwingenieur. Hij kreeg op 13 februari 1942 de toelating om zijn studies tot het eind van het academiejaar verder te zetten. Er werd geen uitslag van hem teruggevonden. Op 4 september 1942 belandde hij in Dossin en op 12 september 1941 werd hij naar Auschwitz gedeporteerd met Konvooi IX (nr. 154). Hij stond ingeschreven in het Jodenregister van Wilrijk.
Twee Joodse studenten (Lustig en Van Engel) werden dus in 1941 weggestuurd van de universiteit en voor twee anderen (Lelie en Fink) kon een uitzonderingsmaatregel bekomen worden. Enkel Fink kon effectief afstuderen, maar hij werd reeds luttele maanden later de gaskamers ingestuurd.
De onthulling van de herdenkingsplaat gebeurde in aanwezigheid van de toenmalige voorzitter van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België, ULB-professor Georges Schneck, die er bij rector Jacques Willems op wees dat dit bord op dat moment het eerste en het enige was specifiek voor Shoah-slachtoffers in een Belgische universiteit.64
UGent wiskundeprofessor Frederik Kuliasko sprak in naam van de Joodse Gemeenschap Gent en was een van de initiatiefnemers achter het bord65. De plechtige onthulling van het bord vond plaats in aanwezigheid van de zuster van slachtoffer Marcus Fink, die hiervoor speciaal uit Israël was overgekomen.
Professor Kuliasko gaf een korte biografische schets van de slachtoffers, gebaseerd op de schaarse gegevens die over de slachtoffers waren teruggevonden, en bedankte de universiteit voor de acceptatie van het voorstel. Hij wees erop dat de bezetter de Joodse studenten een elementair recht hadden ontnomen: het recht op onderwijs. Hij vond het ook belangrijk om er op te wijzen dat de bezetter duidelijke sporen had achtergelaten van de deportatie (transportlijsten) maar dat er ‘desondanks lieden zijn die steeds weer opstaan en beweren dat dit alles nooit gebeurd is’. Professor Kuliasko deed dit naar aanleiding van recente manifestaties van negationisme en revisionisme in extreem-rechtse kringen die door de media waren opgepikt.66
Volgens toenmalig rector Jacques Willems kon het belichten van de Gentse Shoah-slachtoffers mensen aan het nadenken zetten en een leerproces in gang zetten dat mensen kon uitrusten om te strijden tegen iedere vorm van discriminatie, waar ook ter wereld.67 Hij wees op het feit dat tot op de dag van vandaag het sterven van miljoenen mensen soms werd gedoogd omdat het ver weg gebeurde, in andere culturen. De herdenking moest dan ook breed gezien worden in het kader van de rechten van de mens en ook de verdraagzaamheid tegenover minderheidsgroepen in de samenleving. De zes slachtoffers hadden Gent uitgekozen om hun toekomst uit te bouwen, maar beseften niet dat die toekomst hen brutaal en abrupt zou worden afgenomen omwille van hun afkomst.
Ook Professor Schneck wees op het belang van het herinneringsinitiatief opdat de toekomstige generaties, ondanks het opduiken van revisionisme en negationisme alsook de dreigingen van extreem-rechts, de Shoah niet zouden vergeten. De plaat moest tevens op de noodzaak wijzen om waakzaam te blijven voor alle factoren die vrijheid en vrede konden aantasten. Tijdens de plechtigheid werd ook een kopie uitgedeeld van de reeds eerder vermelde brochure ‘Weerstand en Bevrijding’ uit 1945.
Twee jaar later, op 8 mei 1998, werd in Gent het Michaël Lustig-monument onthuld voor de Gentse slachtoffers van de Shoah. Dit monument dat de vorm heeft van een tol (dreidl) van de hand van kunstenaar Daniel Dutrieux werd opgericht onder het peterschap van de Stad Gent, op initiatief van de Joodse Gemeenschap Gent.68 Het sloot aan bij een bredere behoefte om de Shoah tastbaar in het Gentse stedelijke geheugen te verankeren en vermeldt eveneens de zes universiteitsslachtoffers alsook enkele UGent alumni zoals Rifca Schor.
In 2012 werd in de schoot van de Vakgroep Geschiedenis van de Universiteit het UGentMemorie-project gestart, een digitaal initiatief van de Universiteit Gent dat tot doel heeft persoonlijke herinneringen en verhalen van studenten, personeel en alumni te verzamelen, bewaren en delen. Het project richt zich op het vastleggen van de rijke universitaire geschiedenis vanuit een menselijk perspectief, met aandacht voor anekdotes, ervaringen, en levensverhalen die anders verloren dreigen te gaan. Met de bijdrage van verschillende historici en anderen komen de oorlogsgebeurtenissen en de UGent slachtoffers aan bod, met ruimte voor verdere toevoegingen. De inmiddels zeer rijke website omvat ook een gedetailleerde bijdrage van twee gastauteurs, Marc Verschooris en Dr Yves Louis, over de collaboratie binnen de faculteit Geneeskunde aan de universiteit alsook de Joodse aanwezigheid aan diezelfde faculteit.69
Naar aanleiding van het 200-jarige bestaan van de Universiteit in 2017 publiceerde historica en hoogleraar Gita Deneckere het naslagwerk ‘Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent’, waar we al eerder naar verwezen. In tegenstelling tot het eerdere naslagwerk dat vijfentwintig jaar eerder voor de 175-jarige verjaardag van de universiteit was gepubliceerd, ging professor Deneckere hierin wel uitgebreid in op de gebeurtenissen aan de universiteit tijdens en onmiddellijk na de Duitse bezetting, met inbegrip van de vervolging van Joodse UGent’ers zoals Falks Epsteins.
Dit brengt ons uiteindelijk tot de aanleiding voor de publicatie van dit artikel. In het voorjaar 2025, bij de herdenking van 80 jaar einde van de Tweede Wereldoorlog, nam de universiteit het initiatief om een ere-doctoraat toe te kennen aan Gunter Demnig en om drie struikelstenen te laten plaatsen voor de slachtoffers die we hierboven hebben besproken.
Balans en vergelijking met andere universiteiten
Na de bevrijding werden aan de universiteit statistieken opgemaakt door de namen van de universitaire populatie te vergelijken met die van erkende verzetsstrijders en veroordeelde collaborateurs. Voor ‘verzetsstrijders’ (die verzet boden in verschillende vormen) telde men ongeveer 130 personen: zo’n 60 uit het personeel en ongeveer 70 uit de studenten, samen goed voor ongeveer drie procent van de totale personeels- en studentenpopulatie. Een twintigtal professoren werd na de oorlog gerechtelijk vervolgd wegens collaboratie en kreeg ontslag.70
Volgens Dirk Martin kan men zich vragen stellen bij de grondigheid van de epuratie na de bevrijding. Oorlogsrector Guillaume De Smet bleef buiten schot. George Funke, directeur van de universitaire plantentuin, maakte in 1946 zijn beklag bij voormalig rector Goubau over de manier waarop hijzelf en zijn twee Joodse assistenten Paul Fröschel en Jacob Rappaport in 1940 door De Smet uit de universiteit waren gezet.71 Nobelprijswinnaar Corneel Heymans kreeg een blaam omdat hij als ruilprofessor naar Berlijn was gereisd.72 Academici die notoire collaborateurs waren geweest zoals Herman De Vleeschauwer vluchtten naar het buitenland. Zo’n 111 studenten werden gestraft, gaande van een blaam tot definitieve uitsluiting.73
Een lijst van slachtoffers ‘gestorven voor het vaderland’ werd een aantal jaren steevast gepubliceerd aan het begin van het jaarverslag van de universiteit. Deze lijst bevatte de namen van vijfentwintig Gentse academici, studenten en personeelsleden: professor Karel Verlat, docent Valère Billiet, de studenten A. Schaepdrijver, L. Simoen, F. Verhaegen, J. Depuysselier, A. De Wulf, L. de Mûelenaere, L. Verspeelt, W. Doussy, P. Dossche, R. Lombaerts, G. Pycke, J. Van Steenwegen, G. Lecompte, F. Haus, M. Cloquet, C. Goubau, D. Dauwe, K. Wilms, J. Stroobant en A. Mandrycks en tot slot de bedienden R. Pouilliez, T. Meirschaert en technicus A. Tavernier.
De zes Joodse slachtoffers werden in deze Lijst der voor het Vaderland gestorven professoren, studenten en bedienden gedurende de oorlog nooit vermeld. Het is gissen naar de reden. Is dit omdat men hen niet beschouwde als ‘voor het vaderland gestorven’? Omdat ze niet bij het verzet zaten? Omdat enkelen van hen buitenlanders waren? Omdat hun lot een tijdlang niet bekend was en men de lijst naderhand niet meer heeft aangepast? Indien deze zes Joodse slachtoffers worden meegerekend, komt het dodental op minimaal 31 dodelijke slachtoffers aan de UGent.
Alhoewel dit voor een stuk gebonden is aan een bepaalde context, is het interessant om te vergelijken met andere universiteiten hoe de Universiteit Gent het ervan af heeft gebracht op het vlak van herinnering aan de slachtoffers van het nationaalsocialisme in eigen rangen.
De Nederlandse universiteitshistoricus Abraham Flipse van de Vrije Universiteit Amsterdam onderzocht recent de manier waarop een aantal Nederlandse universiteiten dit deed.74 Hij komt tot het besluit dat alle Nederlandse universiteiten onmiddellijk na de bevrijding actie ondernamen en het herdenken van de slachtoffers als een eerste plicht werd gevoeld. Zoals reeds aangehaald, was dat ook aan de Universiteit Gent het geval ook al was men nog tot vrij lang na de bevrijding niet zeker over het lot van een aantal vervolgden, zowel bij de politieke gevangenen/vermisten als de Joodse vermisten.
De herdenking van de slachtoffers was bovendien het spiegelbeeld van de epuratie die meteen na de oorlog van start ging. Na de zeer sombere jaren, wilde men absoluut en met duidelijke richtlijnen de universiteit (opnieuw) als ‘morele gemeenschap’ definiëren.75 Aan de Universiteit Utrecht bijvoorbeeld werd dit in 1946 ook plastisch uitgebeeld met een standbeeld dat de herrijzenis van de universiteit moest symboliseren: een vrouwenfiguur die een slang vertrapt die bezig was twee kleine menselijke wezentjes te wurgen.76
Aan veel universiteiten was er een behoefte aan een concrete plaats om de oorlogsherinneringen mee te verbinden. Al snel werd gedacht aan herdenkingsmonumenten, gedenkstenen of plaquettes. Dit was eveneens het geval in Gent, met de Aula als epicentrum. Een courante praktijk in België was ook het toevoegen van de namen van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog aan de reeds bestaande monumenten voor slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog.
Vervolgens moest ook nagegaan worden voor welke slachtoffers het monument zou dienen. Het in kaart brengen van wie was omgekomen was niet altijd eenvoudig ook omdat er soms zeer lang onduidelijkheid bleef bestaan over het lot van overledenen.77 Bovendien was er ook vaak al snel discussie over de vraag wie allemaal tot de oorlogsslachtoffers moest worden gerekend, hoe ruim de academische gemeenschap moest gedefinieerd worden en welke overlijdensoorzaken in rekening moesten genomen wordt. Wat bijvoorbeeld met slachtoffers die tijdens de oorlog zelfmoord hadden gepleegd.
De vraag werd gesteld wie er tot de universitaire gemeenschap, de civitas academica, mocht worden gerekend: ging men specifiek voor het verzet of deze bredere gemeenschap? Aan de Universiteit Gent werd geen rekening gehouden met afgestudeerde studenten of voormalige werknemers, terwijl ook daar uiteraard slachtoffers waren gevallen. De zes vermoorde Joodse leden van de civitas academica werden er nooit opgenomen in de jaar na jaar in het jaarverslag gepubliceerde lijst van slachtoffers.
Dat de aanpak verschilt, zien we bijvoorbeeld in de Rijksuniversiteit Leiden. In het gedenkboek ‘In Memoriam 1940-1945’ dat de universiteit in 1952 uitbracht stonden werden maar liefst 663 namen van academici, studenten, medewerkers én alumni van de Universiteit Leiden opgenomen. De universiteit had in september 1945 een Commissie samengesteld ‘voor een gedenkteken aan de in de oorlog 1940-1945 omgekomen leden der Leidse Civitas Academica’ dat zich aan een zeer uitgebreid onderzoek met duidelijke criteria over slachtofferschap had overgeleverd.78
Vervolgens was er ook de discussie over het karakter van de herdenkingsmonumenten voor de slachtoffers. Zou men alle slachtoffers bij naam noemen of? En op welke manier zou men de herinnering tot uitdrukking brengen? Welke doelen werden nog meer beoogd en hoe wilde een universiteit zich het oorlogsverleden eigenlijk herinneren?79 De documentatie van de afwegingen die destijds zijn gemaakt, is vaak slechts zeer fragmentarisch bewaard. Dat is aan de universiteit Gent, waar we vooral afhankelijk zijn van bronnen die van officiële en formele aard zijn, niet anders.
Flipse wijst op het terugkerende probleem dat er soms fouten gebeurden en namen ontbraken op de monumenten. Dit resulteerde later in bijkomend onderzoek zoals aan de Universiteit van Groningen.80 Soms, en zeker als men al langer het idee had dat de lijst niet volledig was, werden lustrumvieringen aangegrepen om bijkomend onderzoek naar namen te doen. Dat gebeurde aan de Universiteit van Utrecht in 201081. In andere universiteiten zoals de Universiteit van Amsterdam kwam men niet toe aan individuele namen onder meer door de moeilijkheid om te bepalen bij individuele doden of wanneer het verzet de doodsoorzaak was. Er werd beslist om een monument met een algemene herdenkingspassage op te richten82. Een namenlijst van slachtoffers kwam er pas in 1998 waarin, uitzonderlijk, vijf personen genoemd werden die waren omgekomen in Duitse militaire dienst.
Herdenkingsmonumenten hebben vandaag de dag meestal een herkenbare en vrij centrale plaats binnen de universiteiten, al dan niet op de oorspronkelijke locatie. Aan de UGent hangen de gedenkplaten nog steeds in het peristilium van de universiteit en werd de naam van het auditorium Valère Billiet behouden, ook wanneer de locatie ervan wijzigde. Dat het behoud van zo’n plaat niet vanzelfsprekend is, werd in 2024 nog aangetoond door de commotie rond het verdwijnen van de herdenkingsplaat met betrekking tot de inname door het verzet van de Leopoldskazerne op 4 september 1944. Deze plaat belandde samen met een andere plaat voor een Gents verzetsstrijder bij de renovatie letterlijk in de kelders van het gebouw en werden niet teruggeplaatst. Na publieke verontwaardiging beloofde de Provincie Oost-Vlaanderen om ze terug te plaatsen in de voormalige kazerne die inmiddels volledig was gerenoveerd.
Veel universiteiten hadden kort na de oorlog korte overzichten gepubliceerd van de belangrijkste gebeurtenissen waarna het vaak tot de jaren 1980-1990, in een context van bredere intensivering van aandacht voor geschiedschrijving over de oorlog, wachten was op nieuwe studies over de universiteit in de oorlogsperiode. Flipse merkt op dat in Nederland alvast sprake is van een hernieuwde aandacht op voor het eigen oorlogsverleden aan veel universiteiten. Aan sommige universiteiten evolueerden criteria van slachtofferschap mettertijd, in de meeste gevallen weg van een zeer strikt kader van actief verzet tot een bredere groep slachtoffers. Dit leidde dan ook in een aantal gevallen tot bijkomend onderzoek over de universitaire oorlogsmonumenten, de namen die erop stonden en de procedures die toen waren gevolgd bij de realisatie. In sommige gevallen werd dit gevolgd door grotere en kleinere aanpassingen aan de herdenkingsmonumenten. Met de opkomst van het internet werden in een aantal gevallen ook digitale ‘monumenten’ of ‘herdenkingsinitiatieven’ geopend met meer ruimte voor persoonlijke verhalen, voor de ‘mens achter het slachtoffer’.
In de vernieuwde aandacht speelt ook het besef mee dat de tijd begint te dringen (de vijf-voor-twaalfgedachte) als men nog de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt wil bevragen. Een bijzonder fenomeen is bovendien het gegeven dat de wil en de bereidheid om over de oorlogsjaren te praten soms een generatie ‘overspringt’ en het precies de kinderen en de kleinkinderen zijn die slachtoffers en gebeurtenissen terug in herinnering willen brengen. In het kader van een bredere herdenkingscultuur komt er bovendien meer aandacht voor voordien vergeten groepen en het verbinden van de herdenking met actuele thema’s.83
Europese universiteiten pretenderen vandaag méér te zijn dan een louter functioneel opleidings- of onderzoeksinstituut. Ze willen een universitas zijn en zijn zich daarbij bewust van de eeuwenoude traditie waarin ze staan. Gemeten aan de hernieuwde aandacht voor de monumenten en levensverhalen van de slachtoffers, speelt de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog nog steeds een belangrijke rol in dat besef volgens Flipse.84 We verwezen reeds naar het recente en digitale UGentMemorie project. Aan de Vrije Universiteit Brussel werd inmiddels ook een Leerstoel Sporen van het Verzet opgezet en op de campus van dezelfde universiteit werd een verzetspad aangelegd, waarlangs de portretten te zien zijn van 25 Belgische verzetshelden uit de Tweede Wereldoorlog85.
Nu de ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog beginnen weg te vallen, komt de vraag prominenter naar voor hoe toekomstige generaties hiermee zullen omgaan? Professor in de geschiedenis aan de UGent Koen Aerts vatte een en ander onlangs treffend samen: ‘Herdenken is pas nuttig als men ook gaat nadenken’86. Op 8 mei 2024 eerden de verzamelde Belgische rectoren de graven van voormalige verzetsstrijders met een boodschap van ongerustheid naar aanleiding van de aankomende verkiezingen in het land. Deze ceremonie was niet alleen bedoeld om te herdenken, maar ook om de toewijding aan het principe van de democratie te herbevestigen en waakzaam te blijven tegenover de reële bedreigingen die op de democratische waarden wegen.
Toch dringt de vaststelling zich op dat slechts weinig van de 31 UGent-slachtoffers voortleven in het collectieve geheugen van de bredere academische gemeenschap. Nochtans kunnen herdenkingen er blijvend op wijzen dat de universiteit een periode in haar geschiedenis heeft gekend waarin mensen omwille van afkomst, geloof en ideeën werden uitgesloten en/of vervolgd. Er zijn mogelijkheden om de herinnering duurzamer te verankeren, zowel fysiek, materieel als digitaal. Dat is het geval voor de ‘beste masterproef’ in de geologie (Valère Billiet-prijs) en in de geschiedenis (André Schaepdrijver-prijs uitgereikt door de Oud-Studenten Geschiedenis Gent). Ook het plaatsen van struikelstenen voor alle individuele UGent slachtoffers zou een krachtig gebaar kunnen zijn, waarmee we terug bij de aanzet voor het ondernemen van dit verkennende onderzoek zijn aanbeland.
Afbeeldingen
Eindnoten






