Slachtoffers van het nationaalsocialisme aan de Universiteit Gent: 80 jaar later, welke herinnering?

Vuijlsteke, Alec. Slachtoffers van het nationaalsocialisme aan de Universiteit Gent: 80 jaar later, welke herinnering?, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 78(2025), pp. 233–276.

Artikel gepubliceerd naar aanleiding van de plaatsing van drie Stolpersteine voor UGent-slachtoffers van het nationaalsocialisme op 5 november 2025.

Inleiding

De Tweede Wereldoorlog heeft de civitas academica van Universiteit Gent niet onberoerd gelaten. In een aantal gevallen werden persoonlijke ambities, wetenschappelijke carrières of zelfs mensenlevens brutaal gestopt. In dit onderzoek belichten we drie slachtoffers van het nationaalsocialisme aan de universiteit en onderzoeken we in hoeverre en op welke manier de herinnering aan hen en andere slachtoffers na de oorlog in leven werd gehouden. Tot slot trachten we te evalueren hoe de Universiteit Gent dit heeft gedaan in vergelijking met andere universiteiten.

De concrete aanleiding voor dit onderzoek is het initiatief van de universiteit in 2025 om de Duitse kunstenaar Gunter Demnig een eredoctoraat toe te kennen. Demnig (°Berlijn, 1947) studeerde kunst en industrieel ontwerp in Kassel en Berlijn. Vanaf de jaren tachtig begon hij zich toe te leggen op sociaal-kritische kunstprojecten in de publieke ruimte. Internationale bekendheid verwierf hij met het Stolpersteine-project, dat tot doel heeft de herinnering levend te houden aan slachtoffers van het nationaalsocialisme.

In 1990 trok hij naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de deportatie van duizend Roma en Sinti uit Keulen een spoor van verf door deze stad om de voormalige deportatieroute te markeren. Zes jaar later groeide dit initiatief uit tot de eerste Stolpersteine of ‘struikelstenen’.

Hij streefde van meet af aan naar inclusie: niet alleen Joden, maar ook Roma, Sinti, verzetsstrijders, politieke gevangenen en andere vervolgde groepen uit de periode 1933–1945 worden met een struikelsteen herdacht, ongeacht of ze de oorlog overleefden of niet. In België verschenen de eerste struikelstenen pas in 2009 in het straatbeeld.

Verspreid over voetpaden in inmiddels meer dan dertig landen nodigen struikelstenen voorbijgangers uit tot reflectie over individuele levens die door het naziregime werden verwoest. Ze vormen een tastbare herinnering aan de destructieve kracht van uitsluiting en vervolging en roepen op tot waakzaamheid tegenover elke vorm van discriminatie en uitsluiting. Met op vandaag ruim 100.000 geplaatste stenen is Demnigs project het grootste gedecentraliseerde herdenkingsmonument ter wereld. Hoewel dat slechts een fractie is van het totale aantal slachtoffers, krijgt elk individu via deze kleine kassei zijn of haar naam en verhaal terug.

Elke steen wordt gefinancierd via een ‘peterschap’, waarbij burgers of organisaties de kosten op zich nemen. De plaatsing gebeurt vaak met actieve betrokkenheid van de buurt waarin het slachtoffer woonde en draagt bij aan lokale bewustwording. In onderwijscontexten wordt dit ook wel omschreven als community engaged learning, een manier van leren door actief samen te werken met de gemeenschap aan zinvolle projecten. Bij het plaatsen van struikelstenen betekent dit dat families, buurtbewoners en andere betrokken partijen gezamenlijk historisch onderzoek doen, verhalen verzamelen en herdenkingsmomenten organiseren. Zo ontstaat er wederzijdse betrokkenheid en bewustwording waarbij leren en maatschappelijke inzet hand in hand gaan.

In de Gentse publieke ruimte zijn er volgens een telling van 2009 117 herdenkingsmonumenten voor gesneuvelden van de Eerste en/of Tweede Wereldoorlog.1 De eerste struikelstenen in de stad dateren van 2018 en werden geplaatst voor drie leden van de Joodse familie Bloch, op de plaats waar de voormalige gelijknamige bakkerij gevestigd was aan de Veldstraat. In 2019 volgden twintig stenen voor verzetsstrijders, op initiatief van de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden. Onder hen vinden we ook de universiteitsstudenten Carlos Goubau en Michel Cloquet. Nog recenter werden stenen geplaatst voor onder meer geneeskundestudent Wilfried Doussy, de Joodse student Joachim Esberg en de Joodse wetenschapster Martha Geiringer.

In het kader van het eredoctoraat voor Gunter Demnig besliste de Universiteit Gent om Stolpersteine aan te vragen voor een aantal slachtoffers uit de eigen academische gemeenschap. Dit vergde voorafgaand historisch onderzoek en de reconstructie van de levensverhalen van de slachtoffers.

Wanneer er meerdere slachtoffers zijn, is het maken van keuzes in wie men herdenkt vanzelfsprekend moeilijk. Juist daarin schuilt de kracht van de struikelsteen: hij biedt ruimte aan het individuele verhaal, ook wanneer daar vandaag nog maar weinig van bekend is. Zo verhindert hij dat het slachtoffer opgaat in de anonimiteit van een collectief monument, en wordt het straatbeeld letterlijk een plaats van herinnering. Voor de eerste reeks door de universiteit aangevraagde struikelstenen werd gekozen voor Valère Billiet (hoogleraar, man, verzetsstrijder), Falks Epsteins (assistent, man, Joods) en Rifca Schor (afgestudeerd arts, vrouw, Joods). De struikelstenen zullen in respectievelijk de Visserij, Sportstraat en Krijgslaan in Gent aangebracht worden op de adressen waar de respectievelijke slachtoffers hun laatste gekende woonplaats hadden. Hieronder gaan we dieper in op hun levensverhalen, de universitaire context van die tijd en de omstandigheden rond hun overlijden.

De Universiteit Gent tijdens de oorlogsjaren

In mei 1940 vielen de Duitsers België binnen. Dit leidde tot grote chaos en de lessen aan de Universiteit Gent werden meteen gestaakt. Een aanzienlijk deel van het academisch personeel, zo’n 70 van de 167 hoogleraren, nam de vlucht naar Zuidwest-Frankrijk. Dit was ook het geval voor rector René Goubau en de jonge docent Valère Billiet.2 Na de capitulatie van België, tussen juni en november 1940, keerden de meeste professoren terug. Ook Billiet nam opnieuw zijn leerstoel op.

Net als aan de andere Belgische universiteiten, werd de universiteit verplicht zich te schikken naar het gezag van de bezetter. Het toezicht op de universiteiten kwam in eerste instantie in handen van de Duitse nazistische historicus Franz Petri, verantwoordelijke voor het universitair onderwijs bij de Militärverwaltung. Petri wilde vooral vermijden dat er een herhaling van intellectueel verzet tegen de bezetter ontstond aan de Gentse universiteit zoals dit tijdens de Eerste Wereldoorlog het geval was geweest (met als toenmalige boegbeelden de professoren Henri Pirenne en Paul Fredericq)3.

In september 1940 werd rector Goubau samen met andere leden van het academisch personeel zoals voormalig rector August Vermeylen geschorst. Goubau werd vervangen door de collaborerende professor filosofie Herman De Vleeschauwer. Deze werd evenwel in november 1940 collaborerend Directeur-Generaal in het Ministerie van Openbaar Onderwijs bevoegd voor het Hoger Onderwijs en als rector opgevolgd door de chemicus Guillaume De Smet.4

Ondanks de bezettingsomstandigheden werd het onderwijs na de chaos veroorzaakt door de inval vrij snel hervat, met als doelstellingen continuïteit en het behoud van een zekere schijn van normaliteit. Ook in Gent legden de academische overheden zich zonder openlijk protest neer bij een eerste aantal ingrepen van de bezetter zoals het Mitwirkungs– en vetorecht bij benoemingen, het aanduiden van gastprofessoren, het versneld doorvoeren van de anti-Joodse maatregelen en het opgedrongen onderzoek tegen het academisch personeel dat naar Frankrijk was gevlucht.5 Dit handelen door de bezetter ging in tegen artikel 56 van de Haagse Conventie uit 1907 over het oorlogsrecht, dat stelt dat ‘eigendom der gemeenten, van instellingen, gewijd aan godsdienst, liefdadigheid en onderwijs, aan kunsten en wetenschappen, zelfs wanneer het staatseigendom is, als privé-eigendom beschouwd worden. ‘

In tegenstelling tot de Université Libre de Bruxelles die overging tot openlijk verzet en in november 1940 gesloten werd, opteerde Gent voor een beleid van aanpassing aan het nazi-regime dat als ‘geruisloos’ kan omschreven worden.6

Het nationaalsocialistische bewind streefde naar een diepgaande ideologische herschikking van het hoger onderwijs in België en wilde de universiteit een ‘Germaanse oriëntatie’ geven waarbij zowel personeelsbeleid, vakinhoud als studentencultuur onder druk kwamen te staan. De bezetter benoemde Duitsgezinde hoogleraren, onder wie ook professoren van de voormalige Vlaamsche Hoogeschool en organiseerde uitwisselingen van docenten met Duitse instellingen voor vakken als ‘Germanenkunde’ en ‘Rassenkunde’. De nieuwe studentenvereniging Gentsch Studenten Verbond (G.S.V.) werd naar het model van de Nieuwe Orde gevormd, maar stuitte al snel op weerstand binnen de studentengemeenschap.

Ondanks de toenemende nazificatie, bleef grote openlijke confrontatie binnen de academische gemeenschap met de bezetter uit. Wel manifesteerden zich vormen van verzet zoals het aanheffen van vaderlandslievende liederen tijdens colleges van beruchte collaborateurs zoals Herman De Vleeschauwer, het helpen onderduiken van Joodse medeburgers, het afnemen van clandestiene examens bij ondergedoken studenten, het verzamelen van bezwarend materiaal over collaborerende academici en studenten, lesverzuim of uitingen, vanaf 1943, van publiek protest tegen de gedwongen arbeidsdienst die bezetter wilde opleggen.

Een breder netwerk van studentenverzet liet zich gelden via de verspreiding van clandestiene publicaties met diverse politieke achtergronden zoals De Kleine Belg, Vrije Belg, Studentensignaal, Te Wapen, Jong België, Klokke Roeland en Tijl. Sommige van de studenten die hierbij betrokken waren belandden bij het gewapend verzet.7 Dit was ook het geval voor docent Valère Billiet.

Docent-verzetsstrijder Valère Billiet (1903-1945)

Valère Billiet werd in 1903 in Gent geboren als zoon van een postbeambte. Zijn middelbare studies deed hij aan het Koninklijk Atheneum waarna hij wis- en natuurkunde studeerde aan de Universiteit Gent en er in juli 1924 tot Doctor promoveerde. In 1927 werd hij leraar natuurwetenschappen aan het Koninklijk Atheneum en vervolgens ook aan de Middelbare Normaalschool in Gent.

Als fysicus ging zijn interesse aanvankelijk uit naar moderne onderzoeksmethoden voor kristallen, waaronder röntgenanalyse. Na stages in de laboratoria van kristallografen W. F. de Jong in Delft en Charles Victor-Mauguin in Parijs, richtte hij in Gent een vooruitstrevend laboratorium voor röntgenanalyse op.

In 1933 werd Billiet benoemd tot assistent van het Laboratorium voor Mineralogie en Kristalkunde. Hij kon er zich volledig toeleggen op onderzoek naar de structuur en eigenschappen van mineralen. Zijn studie over de kopersilicaten van Katanga wordt nog steeds beschouwd als een referentiewerk en werd bekroond door de Koninklijke Academie voor Wetenschappen van België.

In 1938 richtte hij een leergang op in fysieke stralingsleer voor medici dat op een groeiende belangstelling kon rekenen. Na de inval van de Duitsers week Billiet samen met andere Gentse academici uit naar Frankrijk. Bij zijn terugkomst kon hij zijn leerstoel terug opnemen. In oktober 1941 werd hij vervolgens effectief benoemd tot docent stralingenleer en radioactiviteit aan de faculteit Geneeskunde en sloot er zich aan bij het Centrum voor Gezwelziekten. Billiet zag zijn toekomst echter eerder in de Faculteit van de Wetenschappen, waar hij naar alle waarschijnlijkheid vroeg of laat de leerstoel mineralogie en kristalkunde zou gekregen hebben.

Ondanks de mogelijkheid om zich als academicus afzijdig of gedeisd te houden, koos Billiet als een van de weinige leden van het academisch personeel radicaal voor vormen van verzet die het niet-gewapende verzet van veel van zijn collega’s ver oversteeg.

Gaandeweg werd hij zelfs een van de spilfiguren van de actieve weerstand in Gent. Als redactielid was hij sterk betrokken bij de verzetskrant Het Belfort, waarvan tussen juni 1943 en augustus 1944 vijftien edities verschenen. Als hoofdredacteur fungeerde leerkracht André Alers. Na diens arrestatie op 9 maart 1944, nam literator Achilles Mussche de algemene leiding van Het Belfort over, hierin onder meer door Billiet geholpen.

De gerealiseerde oplagen klommen naar het einde van de bezetting toe gestadig van 600 tot een geschat maximum van 3.000 exemplaren per editie. In totaal zouden ongeveer 30.000 exemplaren gestencild of gedrukt zijn. De financiering hiervan gebeurde hoofdzakelijk via de Gentse liberale voorman en industrieel Henri Story8. Met deze middelen werden ook werkweigeraars en onderduikers ondersteund via de netwerken Solidariteit en Socrates. Onder het pseudoniem Max begon Billiet informatie voor de inlichtingendienst Luc-Marc in te zamelen. Hij paste ook verzet toe binnen de muren van de universiteit zelf: in het Centrum voor Gezwelziekten hielp hij familieleden van patiënten die door de bezetter gezocht werden aan schuilplaatsen en bestaansmiddelen. Toen het net zich meer en meer rond hem begon te sluiten lichtte hij zijn collega’s in het centrum in over wie kon worden geholpen en hoe.9

Na de arrestatie van André Alers in maart 1944 werd Billiet een van de plaatselijke leiders van het Onafhankelijkheidsfront.10 Hij speelde een sleutelrol in het gewapend verzet, de rekrutering en bewapening van Patriottische Milities en de organisatie van sabotageacties. Onder zijn impuls ontstonden bedrijfsmilities, onder meer in de elektriciteitscentrale van Langerbrugge. Op 10 augustus 1944, minder dan een maand voor de bevrijding van Gent, werd Billiet echter in Sint-Denijs-Westrem gearresteerd. Hij was op weg naar Deinze om daar contacten aan te knopen ­voor een nieuwe verzetskern. Enkele collega-hoogleraren probeerden hem nog, op basis van zijn wetenschappelijk belang, vrij te krijgen maar het mocht niet baten; hij belandde in het concentratiekamp Neuengamme nabij Hamburg. Mede verzetsstrijders poogden de documenten die Billiet nog in zijn bezit had, te verbergen. Een deel werd op de universiteit bewaard, een ander deel verbrand.11 De aanhouding van Billiet leidde tot de vorming van een vierde regionaal comité van het Onafhankelijkheidsfront, net voor de bevrijding.

Opgesloten in Neuengamme, lukte het hem om aangenomen te worden in de medische dienst van het kamp. Hij kon er het leven van een aantal politieke gevangenen redden. In april 1945, bij het naderen van de geallieerden, werd Billiet samen met 17.000 andere kampgevangenen aan boord gezet van vier schepen zoals de Cap Arcona en de Thielbek in de baai van Lübeck. Op 3 mei 1945 bombardeerden geallieerde piloten, die dachten dat het om Duitse troepen ging, deze schepen. Tussen 7.000 en 8.000 gevangenen kwamen om. Billiet werd neergeschoten door een SS’er toen hij reddingsboeien probeerde uit te delen aan zijn zieke medegevangenen. De dag erna, op 4 mei, werd het kamp Neuengamme bevrijd. Zijn vrouw Marguerite bleef alleen achter.

Naast Billiet kwam nog een andere hoogleraar van de UGent om: de Antwerpse handelswetenschapper Karel Verlat (1889-1944). Deze had tijdens de Tweede Wereldoorlog openlijk anti-fascistische en anti-Duitse standpunten ingenomen tijdens de hoorcolleges. Verlat had ook niet geaarzeld om Joodse vrienden bij de Duitse bezetter te verdedigen. Uiteindelijk gearresteerd, stierf hij op 15 april 1944 in de gevangenis ten gevolge van een hartkwaal.12

Na de oorlog werd de herinnering aan Billiet in leven gehouden. Zijn collega professor in de geologie Armand Hacquaert schreef een in memoriam voor Billiet en Verlat in het jaarverslag 1944-45 van de universiteit.13 In november 1945 werd een auditorium naar Billiet genoemd dat nog steeds, weliswaar op een andere locatie, bestaat. Jaarlijks wordt de Prijs Valère Billiet uitgereikt aan een student geologie.14 ‘Billietiet’, het zeldzame radioactieve mineraal dat hij ontdekte in de Katanga, is een blijvende herinnering aan zijn wetenschappelijk werk.

Joodse slachtoffers van de UGent

We schetsen kort het lot van de Joodse slachtoffers van de UGent en gaan vervolgens dieper in op twee van hen. De situatie van de in Gent aanwezige Joden tijdens de oorlogsjaren en na de bevrijding is zeer uitvoerig en minutieus bestudeerd door de Gentse onderzoeker Marc Verschooris in verschillende werken, en meer in het bijzonder in zijn in 2020 verschenen boek ‘Uit de lus van de strop: Gentenaars in de bres voor de Joodse bevolking, 1940-1944’.15

Net zoals in Luik en aan de ULB telde de Universiteit Gent in het interbellum een vrij grote groep Joodse studenten en personeelsleden. Tussen 1922 en 1935 studeerden ieder jaar gemiddeld 478 buitenlandse studenten aan de UGent, van wie vermoedelijk de helft met een Joodse achtergrond, goed voor zo’n 15 % van het totale studentenbestand. Dit hoge aantal zakte echter stevig door de geleidelijke vernederlandsing van de universiteit, wat zeker het geval was na 1935.16 In april 1939 werden bovendien de Belgische grenzen gesloten zodat de vluchtelingen België enkel nog op illegale wijze konden binnenkomen. Niettemin was er bij het uitbreken van de oorlog nog een beperkt aantal Joodse studenten aan de Universiteit Gent (naar schatting minder dan tien) en in de stad woonde bovendien ook een zeker aantal Joodse burgers met een diploma (vaak dat van ingenieur) van deze universiteit op zak17.

Veel van deze (al dan niet voormalige) Joodse studenten waren afkomstig uit Polen en Roemenië en weken in het interbellum uit naar België om te ontsnappen aan toenemend antisemitisme in hun thuislanden. België, en daarbij ook de Universiteit Gent, trok hen aan vanwege het academisch prestige en de opleidingsmogelijkheden in de natuurwetenschappen, ingenieursdisciplines en de geneeskunde. Bovendien was er in het land ook nood aan goed opgeleide ingenieurs in verschillende domeinen; in Gent was dit bijvoorbeeld het geval in de Société d’Électricité et de Mécanique Carels, een bedrijf met internationale weerklank dat dieselmotoren en transformatoren produceerde.

Na een eerste toestroom van vele Oost-Europese Joodse studenten, werd België in de jaren dertig ook een van de belangrijkste landen voor onderdak van vluchtelingen uit nazi-Duitsland18 en, na de Anschluss in 1938, uit Oostenrijk. Naar Gent kwamen bijvoorbeeld de Duitse Nobelprijswinnaar Erwin Schrödinger19 en de Oostenrijkers Hans Handovsky, Martha Geiringer en Paul Fröschel die elders in dit artikel kort aan bod komen.

Vanaf 28 oktober 1940 voerde de bezetter op korte tijd een reeks anti-Joodse verordeningen in. In een van die eerste verordeningen werd nauwkeurig bepaald wie als Jood moest beschouwd worden, een maatregel die radicaal inging tegen de Belgische grondwet. De Belgische overheid weigerde hem dan ook af te kondigen, waarna de Militärverwaltung dit dan maar zelf deed. In dezelfde verordening werd bepaald dat Joden zich kenbaar moesten maken, zich moesten inschrijven in een lokaal register en een rode ‘J’ op hun identiteitspapieren dienden te krijgen. Een klein aantal gemeentebesturen, voornamelijk in Brussel, weigerde om zo’n register aan te leggen.

Dat was evenwel niet het geval in Gent. Het afdelingshoofd van de burgerlijke stand, Maurice De Kezel, bood er desondanks clandestien verzet waar hij ook maar kon.20 272 Joden lieten zich registreren in het eerste register dat werd aangelegd van zowel Belgische Joden als (de meerderheid) Joden met een andere nationaliteit die in de stad verbleven.21 Onder hen bevonden zich ook een aantal personen die in het register als ‘student’ werden aangeduid.

Na de opening van het Jodenregister en het verbod in bovengenoemde verordening voor Joden om nog in de openbare sector werkzaam te zijn, onderwierp rector De Smet zich gedwee aan de bezetter.

In november 1940 stuurde het Secretariaat-Generaal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs een circulaire gemarkeerd als ‘zeer dringend’ met de volgende mededeling: ‘Verzoekt de gezegde verordeningen ter kennis te brengen van uw diensten evenals de leden van het onderwijzend personeel der scholen van elken aard. De personen die het voordeel der op non-actiefstelling wenschen te genieten, dienen zulks voor den 12den december 1940 aan te vragen’.22

Een van de getroffenen was de Weense chemicus Hans Handovsky (1888-1959). Door de opgelegde anti-Joodse maatregelen verloor hij per 1 januari 1941 zijn baan als werkleider in het farmacologisch instituut van Nobelprijswinnaar Corneel Heymans. Daar was hij sinds 1934 werkzaam, nadat hij als Jood aan de universiteit van Göttingen door de nazi’s was ontslagen. Handovsky’s aanwezigheid werd nog ‘gedoogd’ tot in 1942 toen Heymans en de meeste mensen in zijn entourage hem en zijn gezin de rug toekeerden.23

Vervolgens werden de anti-Joodse maatregelen op 30 maart 1941 verder verscherpt met een ad valvas bericht dat Joodse studenten zich bij het rectoraat moesten melden24. In het dossier over de Joodse studenten tijdens de oorlog in het universiteitsarchief vinden we een in het rood handgeschreven ‘inventaris’ van de Joodse studenten met de volgende namen: Marcus Fink, Louis Lelie, David Lustig, Jozef Gunzburg, Jacob Van Engel en de studenten Blusztein en Brandes. Deze twee laatsten waren vierdejaarsstudenten geneeskunde afkomstig uit Polen en waren vermoedelijk uit de gesloten ULB overgekomen.

In zijn verslag van 9 april 1941 aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs Marcel Nyns meldde de rector dat Marcus Fink en Louis Lelie zich hadden aangemeld. Het valt op dat hij, blijkbaar niet gehinderd door een gebrek aan ijver, ook nog een derde student vermeldde, Jozef Gunzburg: ‘Verder meen ik uw aandacht te moeten vestigen op den heer Gunzburg, Jozef Reginald (…) over wien ik geen juiste gegevens heb, maar die zou kunnen Jood zijn. Ik vermeen echter dat dat de Bezettende Overheid volledig over zijn geval gedocumenteerd is.’25

Men kan zich vragen stellen bij De Smets blootstelling van Gunzburg aan mogelijke vervolging. Jozef ‘José’ Gunzburg was immers de zoon van de internationaal bekende rechtsgeleerde aan de UGent Nico Gunzburg (1882-1984). Gunzburg was geboren in Letland en van Joodse komaf. De moeder van José Gunzburg was echter niet-Joods, aangezien Nico Gunzburg getrouwd was met de Vlaamse Henriette Schakewits.26 Nico Gunzburg was aan het begin van de oorlog via omwegen naar de Verenigde Staten kunnen vertrekken en kon op die manier aan vervolging ontsnappen. Rechtenstudent José Gunzburg werd uiteindelijk niet vervolgd en speelde bovendien een uiterst actieve rol in het Gentse studentenverzet, onder meer via het clandestiene studentenverzetblad Jong België27.

Nu de namen ‘officieel’ bekend waren, informeerde de bezetter op 31 oktober 1941 de Secretaris-Generaal dat Joodse studenten zich niet meer mochten inschrijven voor het academiejaar 1941-1942. Indien ze dat wel al waren, moesten ze van de studentenlijsten geschrapt worden, evenwel met de mogelijkheid om het reeds betaalde inschrijvingsgeld terug te krijgen.

De rector deed opnieuw en zonder aarzelen het nodige en de discussie beperkte zich tot de vraag hoe hij het al betaalde inschrijvingsgeld kon terugbetalen. Op 21 november 1941 liet De Smet de Secretaris-Generaal weten dat hij de Joodse studenten van deze maatregel op de hoogte had gesteld. Op 26 november informeerde hij dat student Lustig alvast om de teruggave van het reeds betaalde inschrijvingsgeld had gevraagd.

Na het verbod op inschrijving, liet Secretaris-Generaal Nyns rector De Smet op 5 januari 1942 weten dat volgens de verordening van 1 december 1941 met betrekking tot het Joodse schoolwezen Joodse studenten geen les meer mochten volgen en hun studies niet mochten verderzetten. Indien er toch bijzondere redenen waren om ze te laten verder te studeren was er een speciale toelating nodig van het Militair Bestuur.

Vijf dagen later informeerde De Smet de Secretaris-Generaal dat hij weet had van drie gevallen: David Lustig, Marcus Fink en Jacob Van Engel. Op 19 januari 1942 ondertekende student Van Engel een attest waarin hij verklaarde kennis genomen te hebben van het schrijven van de Secretaris-Generaal van 5 januari 1942 en ‘vanwege den Rector het verbod ontvangen te hebben verder cursussen te volgen.’28 Eerste kandidatuurstudent geneeskunde en zoon van de Gentse rabbijn David Lustig kreeg inmiddels de raad om op te stappen.

Op 13 februari 1942 informeerde het Militair Bestuur: ‘Es wird den Schuler Louis Lelie gestattet, bis zum 15. Juli 1942 seine Ausbildung fortzusetzen. Uber diesen Zeitpunkt hinaus ist ein Schulbesuch nicht erstattet.’ Op 24 februari liet het Militair Bestuur weten echter géén uitzondering te kunnen maken voor Fink en Van Engel alsook tien Joodse studenten aan de Universiteit van Luik. De bezetter verzocht bijgevolg deze studenten effectief van beide instellingen te ‘verwijderen’. Op 14 maart 1942 deelde Rector De Smet deze beslissing mee aan de twee Gentse betrokkenen.

Op 17 maart bepleitte de rector desondanks de zaak van Fink: ‘De heer Fink studeert reeds 6 ½ jaren aan onze Universiteit. Hij doet thans zijn laatste stage en zou binnen een paar maanden zijn einddiploma kunnen behalen. Ik aanzie het als een plicht, gezien de zeer speciale omstandigheden, voor dezen student een bijzondere toelating aan te vragen om zijn studiën te kunnen voltooien.’29 Op 23 april 1942 kwam ook de goedkeuring voor Marcus Fink binnen.30 Hij mocht nog in juli 1942 zijn eindexamen afleggen. Het dragen van de Jodenster was inmiddels sinds 27 mei 1942 verplicht en met de arrestatie en de deportatie van Gentse Joden was in juni 1942 begonnen.

Assistent Falks Epsteins (1912-1942)

Falks Fedor Epsteins werd in 1912 in Letland geboren in een Joods gezin uit de middenklasse. Hij behaalde er met glans zijn diploma middelbare school en mocht in 1932 studies in de dierkunde aanvangen aan de universiteit van Riga.

Letland was in 1918 onafhankelijk geworden en alhoewel de jonge grondwet gelijkheid voorzag onder burgers, werden zoals elders de mogelijkheden voor Joden om verder te studeren of om een universitaire carrière uit te bouwen gaandeweg steeds beperkter. In 1936, het jaar van de Olympische spelen in Berlijn en de rassenwetten in Nazi-Duitsland, besloot Epsteins dan ook uit te wijken naar België. Na een kort verblijf in Antwerpen belandde hij in Gent, waar hij zich al snel goed thuis voelde.

Met zijn grondige kennis van de experimentele zoölogie viel Epsteins op bij de uit Oostende afkomstige professor hydrobiologie Paul Van Oye. Deze waardeerde zijn intelligentie en kennis en nam hem al snel onder zijn vleugels.31 Epsteins behaalde vervolgens in juli 1939 vlot met grote onderscheiding zijn licentiaatsdiploma met een thesis over Phaenokopieën bij drosaphila na bestraling met U.V. stralen.

In het Biogeografisch Laboratorium van Van Oye had hij inmiddels de Vlaamse studente Nora Pieruccini ontmoet, die er les volgde aan het Hoger Instituut voor Opvoedkunde (HIO). In een klimaat van groeiend antisemitisme en anticommunisme werd de Joodse student met communistische sympathieën echter niet meteen als de ideale schoonzoon gezien door haar familie. Tegen de zin van haar ouders trouwden ze desondanks op 15 mei 1939 op het Gentse stadhuis.

Epsteins, die samen met zijn echtgenote actief lid was van de socialistische jeugdbeweging Rode Valken, werd omwille van zijn communistische ideeën en buitenlandse afkomst eveneens met wantrouwen bekeken in de eigen faculteit, bij rector Goubau en bij universiteitsbeheerder-inspecteur Alfred Schoep.

Dit wantrouwen belette een officiële aanstelling aan de universiteit, hoewel hij met toestemming van professor Van Oye wel als persoonlijk assistent aan een doctoraat mocht werken. Het was de bedoeling dit in juni 1940 te verdedigen.32 Na de Duitse inval vluchtte zijn promotor Van Oye samen met de rector en een aantal andere professoren naar Toulouse. Van Oye raakte er gaandeweg evenwel meer en meer gedegouteerd door de besluiteloosheid van de regering-Pierlot en evolueerde zienderogen richting Nieuwe Orde, zoals blijkt uit zijn privé-correspondentie.33 Na zijn terugkeer moest Epsteins bang afwachten of hij zijn doctoraat wel zou mogen verdedigen aangezien zijn promotor als een van de ‘Toulouse professoren’ een tijd lang persona non grata werd en de Duitsgezinde professor Alfred De Waele, met wie zowel Epsteins als Van Oye overhoop lagen, het in de Faculteit Wetenschappen voor het zeggen had gekregen. Later dan voorzien kon hij op 1 oktober 1940 dan toch zijn proefschrift verdedigen en ontving hij zijn diploma van doctor in de wetenschappen. De jury waarvan De Waele deel uitmaakte kende hem een zuinige ‘onderscheiding’ toe.

Met de invoering van de anti-Joodse maatregelen waar de universiteit gedwee aan meewerkte viel Epsteins academische toekomst in duigen. Met aanbevelingsbrieven hielp Van Oye hem evenwel om een plaats te bemachtigen aan de landbouwuniversiteit in zijn geboorteland, waarna het koppel Epsteins-Pieruccini besliste om begin februari 1941 en ondanks de oorlogssituatie naar Letland te vertrekken. Het land was inmiddels sinds juni 1940 door de Sovjet-Unie bezet.

Hun geluk duurde niet lang, want in juli 1941 vielen de Duitsers Letland binnen als onderdeel van Operatie Barbarossa. De rassenwetten werden ook hier onverwijld ingevoerd en als Jood werd Epsteins samen met duizenden anderen in het beknellende getto van Riga opgesloten. Nora Pieruccini moest bewijzen dat ze geen Jodin was, werd op basis van de nazistische rassenwetten gedwongen om van haar echtgenoot te scheiden en diende de Führer hiervoor uitdrukkelijk in een brief te bedanken. Epsteins smeekte haar om naar België terug te keren, maar in februari 1942 werd ook zij opgepakt en, als niet-Joodse, in een gevangenis opgesloten.34 Epsteins laatste bericht aan haar dateert van begin 1942. Vermoedelijk werd hij later dat jaar vermoord ofwel in het concentratiekamp van Salaspils dan wel bij een executie in de Letse bossen. Zijn lichaam werd nooit teruggevonden. Nora Pieruccini kon pas na veel omwegen naar België terugkeren en liet een aantal jaar na de oorlog een ‘akte van vermoedelijk overlijden’ van haar echtgenoot opstellen, gedagtekend 1 juli 1942. Het levensverhaal van het echtpaar Epsteins-Pieruccini werd in 2015 in boekvorm gepubliceerd door UGent alumna Iñez Demarrez.35

Alumna Rifca Schor (1900-1943)

Onder de uit Oost-Europa afkomstige Joodse studenten aan de ULB en de universiteiten van Luik en Gent bevonden zich in het interbellum meer dan duizend vrouwen. De helft was afkomstig uit Polen, een vijfde uit Roemenië en meer bepaald Bessarabië dat eerst Russisch grondgebied was geweest. Anderen kwamen uit landen als Hongarije en Bulgarije.

Het toenemende antisemitisme in hun landen van herkomst was een belangrijke drijfveer om naar landen als België en Frankrijk te komen. Er speelden evenwel nog andere redenen mee: limiterende ingangsquota’s voor Joodse studenten, toegangsbeperkingen voor bepaalde beroepen, krapte op de arbeidsmarkt (en daartegenover juist vraag in bepaalde West-Europese landen zoals België) en het prestige van het Frans als cultuur- en onderwijstaal in Oost-Europa.

De uit Oost-Europa afkomstige Joodse studenten waren doorgaans weinig religieus en meestal sterk geëngageerd in tal van eigen studentenverenigingen met diverse filosofische en ideologische achtergronden. Veel contact met de lokale, zeer goed geïntegreerde Joodse gemeenschap in Gent was er niet echt. Naarmate de toestand van de Joden in hun thuislanden verslechterde, werd ook hun financiële situatie slechter; niet zelden financierden studenten elkaar door afwisselend te werken en te studeren.

Vrouwelijke buitenlandse Joodse studentes werden, nog meer dan de mannelijke studenten, geconfronteerd met heel wat uitdagingen: als buitenlanders, omwille van hun Joodse achtergrond en zeker ook omwille van hun geslacht. Sociologisch, ging het meestal om vrouwen uit de middenklasse of de hogere klassen. Daar waar hun mannelijke Joodse medestudenten vaak voor studies in de natuurwetenschappen, geneeskunde, handel en ingenieurswetenschappen opteerden, kozen de vrouwen meestal voor geneeskunde. In vergelijking met de Belgische studenten waren de slaagcijfers lager bij deze vrouwen, hetgeen te wijten is aan de taalbarrière, hun vaak precaire situatie op vlak van huisvesting en dagelijks levensonderhoud (gezien de ondersteuning die ze kregen van hun families in het thuisland vaak minimaal was), een eventueel huwelijk en de uitdagingen om zich aan te passen aan hun land van onthaal.

De ervaring was niet zelden hard omdat deze vrouwen door de Belgische bevolking soms werden gezien als ‘migranten’, als ‘arme jonge vrouwen’ die alleen durfden te leven, terwijl ze kwamen uit landen waarin ze wel degelijk tot de goed opgeleide middenklasse of hoger hadden behoord.36

Eens hun diploma op zak, was het zowel voor de mannelijke en vrouwelijke studenten niet gemakkelijk om in België te blijven en er te werken. De wetgeving op vreemdelingenarbeid verstrengde vanaf 1929 en de buitenlandse studenten verwierven aan de Belgische universiteiten ‘wetenschappelijke’ in plaats van ‘wettelijke’ graden. Dit systeem liet Belgische universiteiten weliswaar toe om buitenlandse studenten aan te trekken, hetgeen bijdroeg aan het prestige en de internationale uitstraling, maar tegelijk werd hen ook de toegang tot bepaalde beroepen geblokkeerd (in de geneeskunde of de farmacie bijvoorbeeld). Slechts een minderheid verkreeg de Belgische nationaliteit voor de oorlog, de meesten moesten wachten tot de jaren vijftig of zestig.37

Rifca Schor werd op 27 december 1900 geboren in Bălți, een stadje met toen zo’n 22.000 inwoners, gelegen in het vroegere Bessarabië, nu Moldavië38. Deze regio was na de Eerste Wereldoorlog ingepalmd door het koninkrijk Roemenië. Haar ouders waren Sulim Schor en Teper Scheiva en hadden drie kinderen: Samuel, Rifca en Sonia.

Aan het begin van de jaren twintig begon Rifca geneeskunde te studeren aan de universiteit van Iași. Deze universiteitsstad kende toen een bijzonder bloeiende Joodse gemeenschap.39 Daar ontmoette ze haar toekomstige echtgenoot, de vier jaar oudere Ghers Ghiventer, afkomstig uit Soroca in het huidige Moldavië.

Nadat haar broer Samuel reeds eerder naar België was gekomen, kreeg Rifca Schor een visum geldig voor drie maanden afgeleverd door de Legatie van België in Boekarest en kwam ze in België aan op 15 oktober 1923. Daar wilde ze haar studies in de geneeskunde verderzetten. Dit lukte en in 1926 behaalde ze haar diploma in de genees- en verloskunde in Gent, nog steeds eerder een zeldzaamheid voor een vrouw in die tijd. In 1927 werd haar diploma eveneens in Roemenië erkend.

Ze was niet de enige in haar entourage die in Gent studeerde. Zowel haar broer Samuel als haar echtgenoot Ghers studeerden af als ingenieur aan de Universiteit Gent en vonden werk. Dat was het geval eerst bij de Centrales Eléctriques des Flandres et du Brabant en vervolgens in de pas gebouwde grote papierfabriek in Langerbrugge, de Papeteries de Belgique. Het echtpaar kreeg vervolgens twee kinderen: Marcel, geboren in 1931, en Claudine, geboren in 1936.

Rifca’s talent bleef niet onopgemerkt: in 1932 werd haar werk bekroond met de Floribert Soupartprijs voor interne geneeskunde. Haar toekomst leek eerder veelbelovend, maar in juli 1939 sloeg het noodlot voor de eerste keer toe: haar man kwam om het leven bij een tragisch arbeidsongeval in de papierfabriek, waar haar broer Samuel inmiddels als directeur was aangesteld.40 Hij raakte gekneld in een machine en overleed aan een schedelbreuk. Zijn dood haalde de voorpagina van verschillende kranten. Van de ene dag op de andere werd Rifca weduwe met twee jonge kinderen.

Na de Duitse inval en het in voege treden van de anti-Joodse maatregelen liet Rifca zich samen met haar aanverwanten registreren in het Gentse Jodenregister van november 1940. Op 27 maart 1942 gaven ze zich ook op voor het Register van de Jodenvereniging in België, afdeling Gent.41 De bezetter had de creatie van deze vereniging eind november 1941 opgelegd, onder meer als een supplementair middel om de Joden in België in kaart te brengen.

Naarmate het net zich meer en meer sloot rond de Joden in Gent, besloten haar broer Samuel en diens gezin gaandeweg om op diverse plaatsen onder te duiken. Dit had veel te maken met het feit dat Samuel Schor zich van bij het begin tegen de bezetting had verzet. In Gent was hij namelijk een van de eersten geweest om door de Gestapo te worden aangehouden. Eerst in de gevangenis van Gent opgesloten, was hij pas de achtentwintigste Belg om in Breendonk te worden opgesloten. Pas na dertien maanden kon hij vrijkomen.42

Rifca, haar kinderen Marcel en Claudine, haar zus Sonia en haar echtgenoot Joseph vonden het ofwel niet nodig om onder te duiken of konden dit niet op tijd doen. Uiteindelijk sloeg het noodlot opnieuw toe, want op maandagmorgen 11 januari 1943 stond de Gentse afdeling van de Sicherheitspolizei Sipo/SD (afdeling IV.B bevoegd voor Joden) aan de deur van haar huurwoning aan de Krijgslaan 18 in Gent. In het totaal werden die dag vijftien volwassenen en drie kinderen opgepakt. Na een korte passage in de Gentse gevangenis werden Rifca, Marcel, Claudine, Sonia en Joseph overgebracht naar de Dossinkazerne in Mechelen. Daar werden ze geregistreerd voor het transport XIX dat op 15 januari vertrok en op 17 januari in Auschwitz aankwam. Na aankomst werden ze vermoedelijk onmiddellijk naar de gaskamers gestuurd.

Op hetzelfde transport van 627 mensen zat onder meer ook de in Gent wonende biologe Martha Geiringer. Zij was met haar zus Gertrude Wenen moeten ontvluchten en had gehoopt aan de Gentse universiteit haar doctoraat in de biologie te kunnen verderzetten. ‘Men stuurt ons naar Duitschland’ schreef ze op een briefje dat ze uit de trein kon gooien en dat bij de Gentse professor Georges Leboucq terechtkwam. Ook zij kwam niet terug van het transport.43

Slechts tien mensen konden ontsnappen uit transport XIX en slechts zeven personen die op dit specifieke transport zaten keerden terug uit Auschwitz. Tussen 1942 en 1944 werden 25.490 Joden, Roma en Sinti vanuit Dossin gedeporteerd. Slechts ongeveer 5 % overleefde. Rifca Schor kreeg nooit de kans haar beroep uit te oefenen. Ondanks haar jarenlange studies, haar uitzonderlijke bekwaamheid en haar veerkracht, werd haar leven abrupt en gewelddadig beëindigd door de holocaust. Enkel haar broer Samuel en zijn gezin overleefden de oorlog.

Herdenking van de slachtoffers van de UGent

De oorlogsomstandigheden en de afwikkeling van de bevrijding zorgden ervoor dat het academiejaar 1944-1945 eigenlijk pas in januari van start kon gaan. Dit gebeurde zakelijk en zonder veel vertoon. Op 15 januari 1944 vond een rectoraatsoverdracht plaats: professor in de taalkunde Edgard Blancquaert volgde rector René Goubau op. Het normale universitaire leven kwam weer op gang voor meer dan 2.000 ingeschreven studenten.44 De drang was groot bij de bestuurlijke autoriteiten om de vooroorlogse draad zo snel mogelijk terug op te nemen. ‘Studenten moeten studeren en professoren moeten lesgeven’, zei rector Blanquaert tegen student Karel Poma. Deze latere liberale politicus en minister was tijdens de oorlog als student actief in het verzet geweest.

Uit het grondige onderzoek van historicus Dirk Martin over de Rijksuniversiteit Gent tijdens de bezetting 1940-44 blijkt dat er enkel nog over de bezetting gesproken werd tijdens herdenkingsplechtigheden en in de daarmee verbonden artikels en brochures.45

De eerste gelegenheid was ‘V-dag’ 8 mei 1945, dag van de officiële overgave van Nazi-Duitsland. Tijdens een spontane bijeenkomst verwees de nieuwe rector Blancquaert in zijn toespraak uitgebreid naar hetgeen zich op de universiteit had afgespeeld tijdens de bezettingsjaren. Hij sprak niet alleen over het georganiseerde verzet maar ook over het verzet van de enkeling ‘die ‘neen kon zeggen waar het paste.’

De toespraak van de rector werd enkele weken later door de universiteit uitgegeven in een brochure met de titel Weerstand en Bevrijding. Hierin werd uitgebreider verslag gemaakt over de universiteit tijdens de oorlogsjaren. Op 6 juli 1945 werd ze door rector Blancquaert en voormalig rector De Smet aan de pers voorgesteld. In de brochure werd lovend gedaan over de manier waarop de universiteit zich had opgesteld. In eerder heroïsche termen kwam de opstelling van oorlogsrector De Smet aan bod en het feit dat hij ‘dag na dag zijn leven had geriskeerd om zowel professoren als studenten te onttrekken aan de greep van de bezetter’. Zoals blijkt uit de verslaggeving stelde de pers deze lyrische bewoordingen niet in vraag.46

Over de perikelen bij de hervatting van de universiteit na de Duitse overrompeling van België werd in de brochure eerder heen gegleden. Vervolgens werd het dilemma waarvoor de universiteit had gestaan als volgt samengevat: ofwel de door de Duitse bezetter opgedrongen maatregelen onmiddellijk volledig verwerpen, met als gevolg de vrijwel zekere sluiting van de universiteit en de vervanging door een Duits equivalent, ofwel in een minimum van onvermijdelijke inmenging berusten. Er werd voor de laatste optie gekozen: weerstand tegen de Duitse invloed ‘lijdelijk waar het niet anders kon, actief overal elders’.47

Vervolgens kwam het verzet, onder meer tegen de verplichte tewerkstelling, van de studenten aan bod. Over de academische overheden en het onderwijzend personeel werd geschreven dat men ‘bij iedere gelegenheid in anti-Duitschen zin optrad’ en dat rector De Smet geregeld in contact stond met de studenten om hen ‘in hun verzetsbeweging te stijven’. Hij had mee gezorgd voor de vrijlating van de gevangen leden van de raad van bestuur van de ULB, had Secretaris-Generaal Nyns bevoegd voor het openbaar onderwijs aangeschreven om tegen de verplichte tewerkstelling van de studenten te protesteren en was in de bres gesprongen voor het gearresteerde academisch personeel. Het verslag besloot met de vaststelling dat de universiteit ‘in haar geheel één van de meeste actieve centra van den Belgischen Weerstand mag worden geheeten’ en dat ze ‘haar tol aan de vrijheid, hoe zwaar ook’ betaald had.

In de brochure werd ook verwezen naar het lot van de professoren Verlat en Billiet, wier dood op 8 mei zeer waarschijnlijk werd geacht maar nog niet bevestigd was. Eén korte zin werd gewijd aan de Joodse slachtoffers: ‘De Joodsche studenten werden, helaas, nooit meer vrijgelaten.’

De oorlog, de bezetting en de bevrijding werden in de officiële toespraken en brochure vooral gezien in het kader van een crisis van de ‘eenheid en het bestaan van België’. Er kon een nationale les getrokken worden uit deze oorlog die veel ideologischer getint was geweest dan die van 1914-1918. Een zeer klassieke of misschien zelfs ‘ouderwetse’ boodschap dus en Dirk Martin stelt zich de vraag hoe deze overkwam op de nieuwe generatie van studenten.48

De publicatie van de brochure Weerstand en bevrijding waarin de universiteit eerder heldhaftig werd omschreven als ‘een van de meest actieve centra van de Belgische weerstand’ maakte reacties los. André Alers, een van de leiders van het Onafhankelijkheidsfront en verzetskompaan van Valère Billiet, wierp in een schrijven aan de rector op dat een groot deel van de universiteit tijdens de oorlog een zeer afwachtende houding had aangenomen en dat men zelfs had voortgewerkt toen de Duitse bezetter de Belgische wetgeving aantastte. Dat was ook de mening van de studenten uit de verzetsgroep Klokke Roeland. Alers liet ook aan het tijdschrift Front van het Onafhankelijkheidsfront weten dat men, in tegenstelling tot wat de brochure scheen te beweren, tijdens de oorlog juist had moeten vechten tegen algemeen klimaat van apathie en attentisme aan de universiteit onder de bezetting.49

Het kwam echter nooit tot een open debat tussen de nieuwe academische overheid en deze dissidente stemmen. Wel integendeel, de universiteit bleef zich profileren als ‘verzetsuniversiteit’. De discussie doofde bovendien al snel uit, mede door de drang – zoals ook in andere geledingen van de maatschappij – om over te gaan tot de orde van de dag en de naoorlogse uitdagingen aan te pakken.

Uit het onderzoek van Martin blijkt dat de universiteit weliswaar niet onder diepgaande Duitse of nationaalsocialistische invloed had gestaan, maar inderdaad zeker geen actieve haard van verzet was geweest. Net zoals het bestuurlijke apparaat werkte de academische overheid eerder gedwee mee met de bezetter en heerste er eerder een ‘attentistisch’ klimaat van geduldig afwachten tot het vertrek van de bezetter.

Enkele maanden later, op 12 november 1945, begon het academisch jaar voor de eerste keer sinds het uitbreken van de oorlog met een plechtige openingszitting. Dezelfde dag werd in de wandelzaal van de Aula een gedenkplaat onthuld voor zij die voor het vaderland stierven. Er werd gekozen voor een voorlopige oplossing aangezien de namenlijst van alle slachtoffers nog niet volledig was.50 Deze voorlopige oplossing hangt er evenwel nog steeds: het betreft een paneel met zilveren kader en een reeks van veertien naamplaatjes die met pennen werden vastgemaakt en waar het opschrift Pro patria et libertate ceciderunt op staat.51

In hun toespraken brachten rector Blancquaert, professor Hacquaert, student Vermaesen en secretaris Vandenbroeck hulde aan zij die voor het vaderland waren gestorven. Hierin was minder sprake van de aanvankelijke nogal ‘heldhaftige’ toon over het verzet aan de universiteit tijdens de bezetting. Rector Blancquaert eerde de geallieerde bevrijders, professor Baur die tijdens de eerste dagen van de bezetting even rector ad interim was geweest en voormalig rector De Smet.

Vervolgens huldigde hij de doden van de civitas academica alsook zij die in het georganiseerd verzet waren gegaan. De rector voegde eraan toe dat deze laatsten hem bijna allemaal hadden gevraagd hun namen niet bekend te maken omdat zij er niet mee wilden pronken. Zij hadden hun leven geriskeerd ‘voor hun land en voor de democratie, tegen het nazisme, tegen de verdrukking’ en hadden ‘de schande van de collaboratie vergoed’. Blancquaert wilde echter wel hun verzetsdaden vermelden en wees erop dat dit betrekking had op ruim 30 leden van de academische staf, 56 studenten en 17 bedienden, maar dat de lijst verre van volledig was. Hij verwees naar de verzetsactiviteiten van het Onafhankelijkheidsfront, Solidariteit, het Geheim Leger, de Belgische Militaire Weerstands-organisatie, de Belgische Partisanen en de Inlichtingendienst. Ze hadden financiële, ‘zedelijke of daadwerkelijke’ steun geboden, Joden verborgen gehouden, sluikpers geschreven of verspreid, sabotage gepleegd, examens afgenomen van ondergedokenen, opdrachten vervuld in naam van de regering in Londen of meegevochten bij de bevrijding.

Student J. Vermaesen sprak over de voormalige studentenpopulatie en bracht de slachtoffers onder in drie groepen: militairen, weerstanders en Joodse slachtoffers. Het betrof de militairen Lucien Simoen, Freddy Verhaegen, Joseph De Puysseleer, André Schaepdrijver, August De Wulf en Leo De Meulenaere; de weerstanders Leon Verspeelt, Wilfried Doussy, Pierre Dossche, Roger Lombaerts, Gustaaf Pijcke, Jan Van Steenweghe, Gilbert Lecompte, Jean Haus, Michel Cloquet, Carlos Goubau, Daniel Dauwe, Karel Wilms, Jules Stroobandt, André Mandryckx, Daniel De Vries en Jan De Buck en, tot slot, de Israëlitische studenten David Lustig en Joachim Esberg die ‘om hun geloof werden gedeporteerd en waarschijnlijk ook tot de slachtoffers van het nazisme moeten worden gerekend’.52

Secretaris van het rectoraat R. Vandenbroeck wees op de taak van de overlevenden om ervoor te zorgen dat de slachtoffers niet nodeloos hun leven hadden moeten laten en vermeldde de drie slachtoffers onder het niet-academisch personeel: de technici Roger Pouilliez, Theo Meirschaert en André Tavernier.53

De bezetting kwam een laatste keer volop in de belangstelling naar aanleiding van de onthulling van het ‘Auditorium Valère Billiet’ op 20 november 1945. Persoonlijke vriend van Billiet, professor in de geologie Armand Hacquaert hield de gelegenheidsrede, gevolgd door een speech van geneeskundeprofessor Paul De Backer.54 Deze laatste bracht hulde aan het feit dat Billiet een van de eersten was die was opgestaan en zijn leven geriskeerd had. Het Billiet-auditorium zou een blijvende herinnering zijn aan de persoon, zijn werk en het offer dat hij bracht. De studenten zouden beseffen dat, naast het verstand, ook het karakter van een mens van belang is, en dat ‘de harmonische ontwikkeling van beide de volwaardige mens vormt.’55

Na het afsluiten van de epuratie en de ‘definitieve’ heldhaftige beeldvorming over het verzet aan de universiteit werd het stil over de universiteit tijdens de bezettingsperiode. Men ging over tot de orde van de dag en de universiteit keek naar de toekomst. Alleen in ex-collaboratiekringen werd tot 1946 nog een tijdlang gewezen op de volgens hen overdreven manier waarop de universiteit als verzetsuniversiteit was afgebeeld.56

Op 14 oktober 1946 werd wel nog een gedenkplaat onthuld voor de ULB-studenten die onderdak hadden gevonden in Gent nadat de Brusselse universiteit onder de bezetting was gesloten. Ingenieur Charles Frerichs die als voorzitter van de raad van bestuur van de ULB in november 1941 de universiteit had moeten sluiten gaf een toespraak waarin gewezen werd op de solidariteit die er was geweest tussen de twee universiteiten.57 Rector De Smet had samen met de voorzitter van de Universitaire Stichting, het NFWO en de andere Belgische rectoren geprotesteerd tegen de aanhouding van de leden van de raad van bestuur van de ULB met hun uiteindelijke vrijlating tot gevolg.58 De plaat werd gezien als een symbool van het gemeenschappelijk verzet tegen de gemeenschappelijke vijand. Na de moeilijke oorlogsperiode keek men in de toespraken ook erg uit naar de toekomst met het besef dat in de nieuwe wereld na 1945 veel meer onder universiteiten zou moeten samengewerkt worden. In de faculteit Bio-Ingenieurswetenschappen aan de Coupure werd eveneens een gedenkplaat gehangen voor de landbouwingenieurs die in 1940-45 waren omgekomen: Charles Delbeke, Denis Keppens, Cyriel Van Verdegem en de Joodse student Louis Lelie.59

In 1949 vinden we nog een herinneringsspoor terug aan Joods slachtoffer Falks Epsteins, hierboven besproken, in het Biologisch Jaarboek van het Koninklijk Natuurwetenschappelijk Genootschap Dodonaea. De 63-jarige professor en Paul Van Oye schreef er in zeer lovende termen over zijn beloftevolle leerling Epsteins: ‘Onverbiddelijk was het noodlot voor Epsteins. Reeds in juli 1942 werd bij door de Sicherheitspolizei weggevoerd. Hij viel als strijder voor zijn ideaal, zonder dat men tot op heden weet hoe en in welke omstandigheden’.60 Dat Epsteins omwille van zijn Joodse afkomst was vervolgd, werd niet in zoveel woorden vermeld. Het artikel besloot met een overzicht van Epsteins wetenschappelijke publicaties en werd gevolgd door de herpublicatie van een oorspronkelijk door Epsteins geschreven artikel in het Duits over ‘Die Entwicklung und die imaginale Differentiation der Puppalflügel: Histologische und Entwicklungsphysiologische Untersuchungen’. In datzelfde artikel had Epsteins Professor van Oye bedankt voor de drie gelukkige jaren die hij in zijn laboratorium had kunnen doorbrengen.

Vervolgens is het wachten tot 1985 wanneer naar aanleiding van 40 jaar einde van de Tweede Wereldoorlog de universiteit een zeer grondige en kritische studie publiceert van de hand van Dirk Martin, als historicus verbonden aan het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog: De Rijksuniversiteit Gent tijdens de bezetting 1940-44. Leven met de vijand, Gent, Universiteit Gent, uitgegeven in de publicatiereeks van het Archief van de Rijksuniversiteit Gent.

Zeven jaar later, in 1992, vierde de universiteit haar 175-jarig bestaan. In het grote chronologisch opgestelde naslagwerk dat over de geschiedenis van de universiteit werd gepubliceerd kwamen ook de oorlogsjaren, de collaboratie en het verzet aan bod, de Joodse UGent slachtoffers evenwel niet.61

Het eerste formele herdenkingsinitiatief voor de Joodse slachtoffers liet meer dan een halve eeuw op zich wachten en werd opgestart door de Gentse Joodse gemeenschap zelf, onder impuls van hun bestuurders UGent Professor Frederik Kuliasko, Jacques Bloch en Eliane Sperling. Op 14 mei 1996 werd, in het bijzijn van de pers62, in het peristilium van de Aula aan de Voldersstraat een herdenkingsplaat onthuld met de namen van vijf studenten en één assistent die omwille van hun Joodse afkomst werden vermoord onder het nationaalsocialisme. De plaat is in roze marmer met daarop een Davidsster en het opschrift ‘Slachtoffers van de Shoah 1940-1945’ (השואה קרבנות, Korbanot Ha’Shoah ofwel ‘slachtoffers van de holocaust’). De assistent die vermeld wordt op de plaat, Falks Epsteins, kwam hierboven reeds aan bod. De vijf herdachte studenten waren David Lustig, Marcus Fink, Joachim Esberg, Jacob Van Engel en Louis Lelie.

We schetsen beknopt hun parcours aan de universiteit en de noodlottige afloop:

  • David Lustig (°Antwerpen, 1922) woonde aan de Coupure 19. Tijdens het academiejaar 1941-1942 was hij student eerste kandidatuur geneeskunde. Nadat hij eerst was geïnformeerd dat hij niet langer welkom was op de universiteit kreeg hij op 26 november 1941 het koude bericht dat zijn inschrijvingsgeld zou terugbetaald worden. Hij werd gedeporteerd naar Auschwitz met Konvooi XXIIb op 20.9.1943 (nr. 3). Ook zijn vader, rabbijn van de Joodse gemeente in Gent, zijn moeder en zijn zuster werden gedeporteerd en kwamen niet meer terug.

  • Marcus David Fink (°Antwerpen, 1914) was in het academiejaar 1941-1942 student vierde doctoraat geneeskunde. Op verzoek van rector De Smet gaf de Militärverwaltungschef op 23 april 1942 aan Fink de toelating om zijn medische studies te voltooien. Hij slaagde in eerste zittijd in 1942 met voldoening. Hij werd gedeporteerd op 25.8.1942 (Konvooi V, nr. 294) en kwam niet terug.

  • Joachim Esberg (°Hannover, 1916) was door zijn moeder Suse Esberg vanwege het opkomende antisemitisme in nazi-Duitsland naar België gestuurd. Hij raakte na het afsluiten van zijn middelbare studie aan Koninklijk Atheneum in het academiejaar 1939-1940 tot in de eerste licentie Germaanse filologie waar hij evenwel geen examen meer kon afleggen aangezien hij samen met zijn vader in mei 1940 als ‘vijandelijke buitenlander’ door België geïnterneerd werd in Frankrijk, eerst in Saint-Cyprien en daarna in Gurs. In augustus 1942 werd hij vanuit Frankrijk gedeporteerd naar Auschwitz waar hij datzelfde jaar omkwam.63

  • Jacob Van Engel (Brussel, 1920) was in het academiejaar 1941-1942 ingeschreven in de tweede kandidatuur natuur- en geneeskunde. Na het eerste trimester werd hij verplicht de universiteit te verlaten, waarna hij op 19 maart 1942 de terugbetaling van zijn inschrijvingsgeld vroeg. Hij was geregistreerd in het Jodenregister van Antwerpen. Van Engel werd gedeporteerd vanuit Kazerne Dossin met Konvooi XXIII (nr. 630) op 15.1.1944.

  • Louis Lelie (°Rotterdam, 1920) zat in het academiejaar 1941-1942 in de tweede kandidatuur landbouwingenieur. Hij kreeg op 13 februari 1942 de toelating om zijn studies tot het eind van het academiejaar verder te zetten. Er werd geen uitslag van hem teruggevonden. Op 4 september 1942 belandde hij in Dossin en op 12 september 1941 werd hij naar Auschwitz gedeporteerd met Konvooi IX (nr. 154). Hij stond ingeschreven in het Jodenregister van Wilrijk.

Twee Joodse studenten (Lustig en Van Engel) werden dus in 1941 weggestuurd van de universiteit en voor twee anderen (Lelie en Fink) kon een uitzonderingsmaatregel bekomen worden. Enkel Fink kon effectief afstuderen, maar hij werd reeds luttele maanden later de gaskamers ingestuurd.

De onthulling van de herdenkingsplaat gebeurde in aanwezigheid van de toenmalige voorzitter van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België, ULB-professor Georges Schneck, die er bij rector Jacques Willems op wees dat dit bord op dat moment het eerste en het enige was specifiek voor Shoah-slachtoffers in een Belgische universiteit.64

UGent wiskundeprofessor Frederik Kuliasko sprak in naam van de Joodse Gemeenschap Gent en was een van de initiatiefnemers achter het bord65. De plechtige onthulling van het bord vond plaats in aanwezigheid van de zuster van slachtoffer Marcus Fink, die hiervoor speciaal uit Israël was overgekomen.

Professor Kuliasko gaf een korte biografische schets van de slachtoffers, gebaseerd op de schaarse gegevens die over de slachtoffers waren teruggevonden, en bedankte de universiteit voor de acceptatie van het voorstel. Hij wees erop dat de bezetter de Joodse studenten een elementair recht hadden ontnomen: het recht op onderwijs. Hij vond het ook belangrijk om er op te wijzen dat de bezetter duidelijke sporen had achtergelaten van de deportatie (transportlijsten) maar dat er ‘desondanks lieden zijn die steeds weer opstaan en beweren dat dit alles nooit gebeurd is’. Professor Kuliasko deed dit naar aanleiding van recente manifestaties van negationisme en revisionisme in extreem-rechtse kringen die door de media waren opgepikt.66

Volgens toenmalig rector Jacques Willems kon het belichten van de Gentse Shoah-slachtoffers mensen aan het nadenken zetten en een leerproces in gang zetten dat mensen kon uitrusten om te strijden tegen iedere vorm van discriminatie, waar ook ter wereld.67 Hij wees op het feit dat tot op de dag van vandaag het sterven van miljoenen mensen soms werd gedoogd omdat het ver weg gebeurde, in andere culturen. De herdenking moest dan ook breed gezien worden in het kader van de rechten van de mens en ook de verdraagzaamheid tegenover minderheidsgroepen in de samenleving. De zes slachtoffers hadden Gent uitgekozen om hun toekomst uit te bouwen, maar beseften niet dat die toekomst hen brutaal en abrupt zou worden afgenomen omwille van hun afkomst.

Ook Professor Schneck wees op het belang van het herinneringsinitiatief opdat de toekomstige generaties, ondanks het opduiken van revisionisme en negationisme alsook de dreigingen van extreem-rechts, de Shoah niet zouden vergeten. De plaat moest tevens op de noodzaak wijzen om waakzaam te blijven voor alle factoren die vrijheid en vrede konden aantasten. Tijdens de plechtigheid werd ook een kopie uitgedeeld van de reeds eerder vermelde brochure ‘Weerstand en Bevrijding’ uit 1945.

Twee jaar later, op 8 mei 1998, werd in Gent het Michaël Lustig-monument onthuld voor de Gentse slachtoffers van de Shoah. Dit monument dat de vorm heeft van een tol (dreidl) van de hand van kunstenaar Daniel Dutrieux werd opgericht onder het peterschap van de Stad Gent, op initiatief van de Joodse Gemeenschap Gent.68 Het sloot aan bij een bredere behoefte om de Shoah tastbaar in het Gentse stedelijke geheugen te verankeren en vermeldt eveneens de zes universiteitsslachtoffers alsook enkele UGent alumni zoals Rifca Schor.

In 2012 werd in de schoot van de Vakgroep Geschiedenis van de Universiteit het UGentMemorie-project gestart, een digitaal initiatief van de Universiteit Gent dat tot doel heeft persoonlijke herinneringen en verhalen van studenten, personeel en alumni te verzamelen, bewaren en delen. Het project richt zich op het vastleggen van de rijke universitaire geschiedenis vanuit een menselijk perspectief, met aandacht voor anekdotes, ervaringen, en levensverhalen die anders verloren dreigen te gaan. Met de bijdrage van verschillende historici en anderen komen de oorlogsgebeurtenissen en de UGent slachtoffers aan bod, met ruimte voor verdere toevoegingen. De inmiddels zeer rijke website omvat ook een gedetailleerde bijdrage van twee gastauteurs, Marc Verschooris en Dr Yves Louis, over de collaboratie binnen de faculteit Geneeskunde aan de universiteit alsook de Joodse aanwezigheid aan diezelfde faculteit.69

Naar aanleiding van het 200-jarige bestaan van de Universiteit in 2017 publiceerde historica en hoogleraar Gita Deneckere het naslagwerk ‘Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent’, waar we al eerder naar verwezen. In tegenstelling tot het eerdere naslagwerk dat vijfentwintig jaar eerder voor de 175-jarige verjaardag van de universiteit was gepubliceerd, ging professor Deneckere hierin wel uitgebreid in op de gebeurtenissen aan de universiteit tijdens en onmiddellijk na de Duitse bezetting, met inbegrip van de vervolging van Joodse UGent’ers zoals Falks Epsteins.

Dit brengt ons uiteindelijk tot de aanleiding voor de publicatie van dit artikel. In het voorjaar 2025, bij de herdenking van 80 jaar einde van de Tweede Wereldoorlog, nam de universiteit het initiatief om een ere-doctoraat toe te kennen aan Gunter Demnig en om drie struikelstenen te laten plaatsen voor de slachtoffers die we hierboven hebben besproken.

Balans en vergelijking met andere universiteiten

Na de bevrijding werden aan de universiteit statistieken opgemaakt door de namen van de universitaire populatie te vergelijken met die van erkende verzetsstrijders en veroordeelde collaborateurs. Voor ‘verzetsstrijders’ (die verzet boden in verschillende vormen) telde men ongeveer 130 personen: zo’n 60 uit het personeel en ongeveer 70 uit de studenten, samen goed voor ongeveer drie procent van de totale personeels- en studentenpopulatie. Een twintigtal professoren werd na de oorlog gerechtelijk vervolgd wegens collaboratie en kreeg ontslag.70

Volgens Dirk Martin kan men zich vragen stellen bij de grondigheid van de epuratie na de bevrijding. Oorlogsrector Guillaume De Smet bleef buiten schot. George Funke, directeur van de universitaire plantentuin, maakte in 1946 zijn beklag bij voormalig rector Goubau over de manier waarop hijzelf en zijn twee Joodse assistenten Paul Fröschel en Jacob Rappaport in 1940 door De Smet uit de universiteit waren gezet.71 Nobelprijswinnaar Corneel Heymans kreeg een blaam omdat hij als ruilprofessor naar Berlijn was gereisd.72 Academici die notoire collaborateurs waren geweest zoals Herman De Vleeschauwer vluchtten naar het buitenland. Zo’n 111 studenten werden gestraft, gaande van een blaam tot definitieve uitsluiting.73

Een lijst van slachtoffers ‘gestorven voor het vaderland’ werd een aantal jaren steevast gepubliceerd aan het begin van het jaarverslag van de universiteit. Deze lijst bevatte de namen van vijfentwintig Gentse academici, studenten en personeelsleden: professor Karel Verlat, docent Valère Billiet, de studenten A. Schaepdrijver, L. Simoen, F. Verhaegen, J. Depuysselier, A. De Wulf, L. de Mûelenaere, L. Verspeelt, W. Doussy, P. Dossche, R. Lombaerts, G. Pycke, J. Van Steenwegen, G. Lecompte, F. Haus, M. Cloquet, C. Goubau, D. Dauwe, K. Wilms, J. Stroobant en A. Mandrycks en tot slot de bedienden R. Pouilliez, T. Meirschaert en technicus A. Tavernier.

De zes Joodse slachtoffers werden in deze Lijst der voor het Vaderland gestorven professoren, studenten en bedienden gedurende de oorlog nooit vermeld. Het is gissen naar de reden. Is dit omdat men hen niet beschouwde als ‘voor het vaderland gestorven’? Omdat ze niet bij het verzet zaten? Omdat enkelen van hen buitenlanders waren? Omdat hun lot een tijdlang niet bekend was en men de lijst naderhand niet meer heeft aangepast? Indien deze zes Joodse slachtoffers worden meegerekend, komt het dodental op minimaal 31 dodelijke slachtoffers aan de UGent.

Alhoewel dit voor een stuk gebonden is aan een bepaalde context, is het interessant om te vergelijken met andere universiteiten hoe de Universiteit Gent het ervan af heeft gebracht op het vlak van herinnering aan de slachtoffers van het nationaalsocialisme in eigen rangen.

De Nederlandse universiteitshistoricus Abraham Flipse van de Vrije Universiteit Amsterdam onderzocht recent de manier waarop een aantal Nederlandse universiteiten dit deed.74 Hij komt tot het besluit dat alle Nederlandse universiteiten onmiddellijk na de bevrijding actie ondernamen en het herdenken van de slachtoffers als een eerste plicht werd gevoeld. Zoals reeds aangehaald, was dat ook aan de Universiteit Gent het geval ook al was men nog tot vrij lang na de bevrijding niet zeker over het lot van een aantal vervolgden, zowel bij de politieke gevangenen/vermisten als de Joodse vermisten.

De herdenking van de slachtoffers was bovendien het spiegelbeeld van de epuratie die meteen na de oorlog van start ging. Na de zeer sombere jaren, wilde men absoluut en met duidelijke richtlijnen de universiteit (opnieuw) als ‘morele gemeenschap’ definiëren.75 Aan de Universiteit Utrecht bijvoorbeeld werd dit in 1946 ook plastisch uitgebeeld met een standbeeld dat de herrijzenis van de universiteit moest symboliseren: een vrouwenfiguur die een slang vertrapt die bezig was twee kleine menselijke wezentjes te wurgen.76

Aan veel universiteiten was er een behoefte aan een concrete plaats om de oorlogsherinneringen mee te verbinden. Al snel werd gedacht aan herdenkingsmonumenten, gedenkstenen of plaquettes. Dit was eveneens het geval in Gent, met de Aula als epicentrum. Een courante praktijk in België was ook het toevoegen van de namen van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog aan de reeds bestaande monumenten voor slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog.

Vervolgens moest ook nagegaan worden voor welke slachtoffers het monument zou dienen. Het in kaart brengen van wie was omgekomen was niet altijd eenvoudig ook omdat er soms zeer lang onduidelijkheid bleef bestaan over het lot van overledenen.77 Bovendien was er ook vaak al snel discussie over de vraag wie allemaal tot de oorlogsslachtoffers moest worden gerekend, hoe ruim de academische gemeenschap moest gedefinieerd worden en welke overlijdensoorzaken in rekening moesten genomen wordt. Wat bijvoorbeeld met slachtoffers die tijdens de oorlog zelfmoord hadden gepleegd.

De vraag werd gesteld wie er tot de universitaire gemeenschap, de civitas academica, mocht worden gerekend: ging men specifiek voor het verzet of deze bredere gemeenschap? Aan de Universiteit Gent werd geen rekening gehouden met afgestudeerde studenten of voormalige werknemers, terwijl ook daar uiteraard slachtoffers waren gevallen. De zes vermoorde Joodse leden van de civitas academica werden er nooit opgenomen in de jaar na jaar in het jaarverslag gepubliceerde lijst van slachtoffers.

Dat de aanpak verschilt, zien we bijvoorbeeld in de Rijksuniversiteit Leiden. In het gedenkboek ‘In Memoriam 1940-1945’ dat de universiteit in 1952 uitbracht stonden werden maar liefst 663 namen van academici, studenten, medewerkers én alumni van de Universiteit Leiden opgenomen. De universiteit had in september 1945 een Commissie samengesteld ‘voor een gedenkteken aan de in de oorlog 1940-1945 omgekomen leden der Leidse Civitas Academica’ dat zich aan een zeer uitgebreid onderzoek met duidelijke criteria over slachtofferschap had overgeleverd.78

Vervolgens was er ook de discussie over het karakter van de herdenkingsmonumenten voor de slachtoffers. Zou men alle slachtoffers bij naam noemen of? En op welke manier zou men de herinnering tot uitdrukking brengen? Welke doelen werden nog meer beoogd en hoe wilde een universiteit zich het oorlogsverleden eigenlijk herinneren?79 De documentatie van de afwegingen die destijds zijn gemaakt, is vaak slechts zeer fragmentarisch bewaard. Dat is aan de universiteit Gent, waar we vooral afhankelijk zijn van bronnen die van officiële en formele aard zijn, niet anders.

Flipse wijst op het terugkerende probleem dat er soms fouten gebeurden en namen ontbraken op de monumenten. Dit resulteerde later in bijkomend onderzoek zoals aan de Universiteit van Groningen.80 Soms, en zeker als men al langer het idee had dat de lijst niet volledig was, werden lustrumvieringen aangegrepen om bijkomend onderzoek naar namen te doen. Dat gebeurde aan de Universiteit van Utrecht in 201081. In andere universiteiten zoals de Universiteit van Amsterdam kwam men niet toe aan individuele namen onder meer door de moeilijkheid om te bepalen bij individuele doden of wanneer het verzet de doodsoorzaak was. Er werd beslist om een monument met een algemene herdenkingspassage op te richten82. Een namenlijst van slachtoffers kwam er pas in 1998 waarin, uitzonderlijk, vijf personen genoemd werden die waren omgekomen in Duitse militaire dienst.

Herdenkingsmonumenten hebben vandaag de dag meestal een herkenbare en vrij centrale plaats binnen de universiteiten, al dan niet op de oorspronkelijke locatie. Aan de UGent hangen de gedenkplaten nog steeds in het peristilium van de universiteit en werd de naam van het auditorium Valère Billiet behouden, ook wanneer de locatie ervan wijzigde. Dat het behoud van zo’n plaat niet vanzelfsprekend is, werd in 2024 nog aangetoond door de commotie rond het verdwijnen van de herdenkingsplaat met betrekking tot de inname door het verzet van de Leopoldskazerne op 4 september 1944. Deze plaat belandde samen met een andere plaat voor een Gents verzetsstrijder bij de renovatie letterlijk in de kelders van het gebouw en werden niet teruggeplaatst. Na publieke verontwaardiging beloofde de Provincie Oost-Vlaanderen om ze terug te plaatsen in de voormalige kazerne die inmiddels volledig was gerenoveerd.

Veel universiteiten hadden kort na de oorlog korte overzichten gepubliceerd van de belangrijkste gebeurtenissen waarna het vaak tot de jaren 1980-1990, in een context van bredere intensivering van aandacht voor geschiedschrijving over de oorlog, wachten was op nieuwe studies over de universiteit in de oorlogsperiode. Flipse merkt op dat in Nederland alvast sprake is van een hernieuwde aandacht op voor het eigen oorlogsverleden aan veel universiteiten. Aan sommige universiteiten evolueerden criteria van slachtofferschap mettertijd, in de meeste gevallen weg van een zeer strikt kader van actief verzet tot een bredere groep slachtoffers. Dit leidde dan ook in een aantal gevallen tot bijkomend onderzoek over de universitaire oorlogsmonumenten, de namen die erop stonden en de procedures die toen waren gevolgd bij de realisatie. In sommige gevallen werd dit gevolgd door grotere en kleinere aanpassingen aan de herdenkingsmonumenten. Met de opkomst van het internet werden in een aantal gevallen ook digitale ‘monumenten’ of ‘herdenkingsinitiatieven’ geopend met meer ruimte voor persoonlijke verhalen, voor de ‘mens achter het slachtoffer’.

In de vernieuwde aandacht speelt ook het besef mee dat de tijd begint te dringen (de vijf-voor-twaalfgedachte) als men nog de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt wil bevragen. Een bijzonder fenomeen is bovendien het gegeven dat de wil en de bereidheid om over de oorlogsjaren te praten soms een generatie ‘overspringt’ en het precies de kinderen en de kleinkinderen zijn die slachtoffers en gebeurtenissen terug in herinnering willen brengen. In het kader van een bredere herdenkingscultuur komt er bovendien meer aandacht voor voordien vergeten groepen en het verbinden van de herdenking met actuele thema’s.83

Europese universiteiten pretenderen vandaag méér te zijn dan een louter functioneel opleidings- of onderzoeksinstituut. Ze willen een universitas zijn en zijn zich daarbij bewust van de eeuwenoude traditie waarin ze staan. Gemeten aan de hernieuwde aandacht voor de monumenten en levensverhalen van de slachtoffers, speelt de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog nog steeds een belangrijke rol in dat besef volgens Flipse.84 We verwezen reeds naar het recente en digitale UGentMemorie project. Aan de Vrije Universiteit Brussel werd inmiddels ook een Leerstoel Sporen van het Verzet opgezet en op de campus van dezelfde universiteit werd een verzetspad aangelegd, waarlangs de portretten te zien zijn van 25 Belgische verzetshelden uit de Tweede Wereldoorlog85.

Nu de ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog beginnen weg te vallen, komt de vraag prominenter naar voor hoe toekomstige generaties hiermee zullen omgaan? Professor in de geschiedenis aan de UGent Koen Aerts vatte een en ander onlangs treffend samen: ‘Herdenken is pas nuttig als men ook gaat nadenken’86. Op 8 mei 2024 eerden de verzamelde Belgische rectoren de graven van voormalige verzetsstrijders met een boodschap van ongerustheid naar aanleiding van de aankomende verkiezingen in het land. Deze ceremonie was niet alleen bedoeld om te herdenken, maar ook om de toewijding aan het principe van de democratie te herbevestigen en waakzaam te blijven tegenover de reële bedreigingen die op de democratische waarden wegen.

Toch dringt de vaststelling zich op dat slechts weinig van de 31 UGent-slachtoffers voortleven in het collectieve geheugen van de bredere academische gemeenschap. Nochtans kunnen herdenkingen er blijvend op wijzen dat de universiteit een periode in haar geschiedenis heeft gekend waarin mensen omwille van afkomst, geloof en ideeën werden uitgesloten en/of vervolgd. Er zijn mogelijkheden om de herinnering duurzamer te verankeren, zowel fysiek, materieel als digitaal. Dat is het geval voor de ‘beste masterproef’ in de geologie (Valère Billiet-prijs) en in de geschiedenis (André Schaepdrijver-prijs uitgereikt door de Oud-Studenten Geschiedenis Gent). Ook het plaatsen van struikelstenen voor alle individuele UGent slachtoffers zou een krachtig gebaar kunnen zijn, waarmee we terug bij de aanzet voor het ondernemen van dit verkennende onderzoek zijn aanbeland.

Afbeeldingen

Eindnoten

1S. Depestel, Monumenten ter ere van gesneuvelden uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog in Gent: een (kunst)historisch overzicht met voorstellen ter bevordering van de instandhouding en eventuele restauratie, onuitgegeven masterthesis Artesis Hogeschool Antwerpen, 2009.
2G. Deneckere, Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent, Tijdsbeeld, 2017.
3G. Deneckere, op. cit., p. 202.
4Na de oorlog werd De Vleeschauwer bij verstek ter dood veroordeeld. Hij vluchtte naar Zuid-Afrika waar hij tot in 1966 doceerde aan de Universiteit van Zuid-Afrika. Dat een veroordeelde collaborateur dit kon doen, werd in 2002 aan de kaak gesteld door onderzoeker Archie L. Dick van de Universiteit van Pretoria (A. Dick, ‘Scholarship, identity and lies: the political life of HJ de Vleeschauwer, 1940-1955’, Kleio 34 (2002) pp. 5-27).
5D. Martin, De Rijksuniversiteit Gent tijdens de bezetting 1940-44. Leven met de vijand, Gent, Universiteit Gent, 1985, p. 151.
6G. Deneckere, op. cit., p. 202.
7De hier vernoemde verzetsactiviteiten worden beschreven in J. Denys, Gent ’40-’45: drie broers in het verzet, Skribis, 2022, 197 p.
8De werkelijke bron moet men zoeken bij de Bank van Brussel, waar Story een belangrijke functie bekleedde en ook bij de holding Brufina, met wiens toenmalig secretaris-generaal Story bevriend was (H. Goossens, Met pen en stencilmachine in strijd tegen de Nieuwe Orde: De clandestiene pers van de Kommunistische Partij en het Onafhankelijkheidsfront in Oost-Vlaanderen (1940-1944), Masereelfonds, 1979).
9Toespraak P. De Backer, Jaarverslag Universiteit Gent 1944-1945, p. 52. Archief Universiteit Gent, Jaarverslagen Universiteit Gent, ARUG_PV1_098.
10J. Naert, Het Gentse Onafhankelijkheidsfront in de naoorlogse jaren: ‘Une victoire sans lendemain’, onuitgegeven masterscriptie, Universiteit Gent, 2012, p. 91.
11K. Steen, De schemerzone van een stad in oorlog: de evolutie van het verzet in Gent (1940-1944), onuitgegeven doctoraatsverhandeling, Universiteit Gent, 2007, p.437.
12G. Deneckere, op. cit., p. 210.
13A. Hacquaert, ‘In memoriam Valère Billiet en Karel Verlat’, Verslag over den toestand van de Universiteit gedurende het academisch jaar 1944-45, Gent, 1946, pp. 36-38.
14Dat was ook het geval op het Koninklijk Atheneum te Gent: zijn naam wordt vermeld op een stèle met de namen van de slachtoffers verbonden aan het Atheneum en het natuurkundelokaal in de school draagt nog steeds zijn naam.
15M. Verschooris, Uit de lus van de strop: Gentenaars in de bres voor de Joodse bevolking, 1940-1944, Sterck & Devreese, 2020. 286 p.
16R. Van Doorslaer, Kinderen van het getto: Joodse revolutionairen in België 1925-1940, Hadewijch, 1995, p. 82.
17Enkel in de verplichte registratielijst voor joden van 5 juni 1942 vinden we een beroepsaanduiding terug. Hierin werden de volgende personen als ‘student’ omschreven zonder precisering aan welke instelling ze precies student waren: Ernst Klipstein (°25.1.1921), Louis Lelie (°15.12.1920), Jacob Dorfman (°4.10.1903), Morduch Ejdelzon (°31.11.1909), Marcus Fink (31.3.914), Eric Scheschelowski (°11.8.1925), Ferencz Csapo (°1.6.1914) en David Lustig (°26.8.1922). UGent student Jacob Van Engel was te Antwerpen ingeschreven. Student Germaanse talen Joachim Esberg bevond zich met zijn vader in Frankrijk, van waaruit hij gedeporteerd werd. Bron: Stadsarchief Gent, Reeks IX (Personeelszaken).
18Tussen 1933 en 1938 kwamen ongeveer 10.000 hoofdzakelijk Joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland naar België. Er leefden begin 1933 in Duitsland naar schatting ongeveer 500.000 gelovige Joden. (L. Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad: een geschiedenis van Antwerpen en zijn Joodse bevolking (1880-1944), Lannoo, 2000, pp. 188-189).
19K. Verhaeghe, ‘Hoe Erwin Schrödinger na de Anschluss tijdelijk onderdak vond in Gent’, EOS Wetenschap, 22 april 2025.
20M. Verschooris, ‘Tussen benauwenis en verademing. Gentenaars in de bres voor de Joodse bevolking, 1940-1944’, Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis & Oudheidkunde te Gent, 2020(74), pp. 61-87.
21In een nieuwe lijst, opgesteld door de dienst bevolking van de stad, van 5 juni 1942 was dit aantal gezakt tot 190. In heel België lieten zich meer dan 55.000 mensen registreren.
22Archief Universiteit Gent, Dossiers Tweede Wereldoorlog, ARUG_4A2_5_005.
23Handovsky werd hierna gelukkig geholpen door voormalig rector August Vermeylen. Als Duitser kon hij na de oorlog met moeite en slechts tijdelijk opnieuw zijn positie aan de universiteit opnemen. Hij verwierf uiteindelijk de Belgische nationaliteit, maar keerde in 1957 toch naar Göttingen terug waar hij twee jaar later stierf. (H. Vandevoorde, ‘A Jewish intellectual under the radar’, Journal of Dutch Literature, 9.1 (2018), pp. 97-111).
24Brief rector De Smet 30.3.1941: ‘De Rector der Rijksuniversiteit te Gent laat aan de Dames en Heeren Studenten bij deze weten dat zij die van Joodsche afkomst zijn zich vóór zaterdag 5 april op het Rectoraat moeten aanmelden, voorzien van hun eenzelvigheidskaart. De belanghebbende studenten die zouden nalaten zulks voor gestelden datum te doen, stellen zich bloot aan latere moeilijkheden. De Rector, G. De Smet.’, Archief Universiteit Gent, op. cit.
25Archief Universiteit Gent, op.cit. en D. Martin, op. cit., p. 143.
26M. Cools, Nico Gunzburg: een ‘vooraanstaande personaliteit’, Gompel & Svacina, 2025, p. 194.
27M. Verschooris, De grimmige lente van 1940: De lotgevallen van 18 jongeren tijdens de Tweede Wereldoorlog, Sterck & De Vreese, 2024, pp. 35-36.
28Archief Universiteit Gent, op.cit.
29Rector G. De Smet aan Directeur-Generaal Hoger Onderwijs, 17.3.42 (ref. B-234/X), Archief Universiteit Gent, op.cit.
30Brieven van de Militärbefehlshaber dd. 13.2.42 (voor Lelie) en 23.4.42 (voor Fink), nadat Rector De Smet voor Fink had gepleit in een brief aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs van 17.3.42. Archief Universiteit Gent, op.cit.
31Van Oye was als fervent aanhanger van Julius Mac Leod sterk betrokken geweest bij de uitbouw van een Vlaamse wetenschappelijke cultuur en was in 1926 aan de Nolf-universiteit benoemd. Samen met andere professoren was ook hij bij aanvang van de bezetting naar Toulouse gevlucht (G. Deneckere, op. cit., p. 201.)
32G. Deneckere, op. cit., p. 202.
33G. Deneckere, op. cit., p. 202.
34G. Deneckere, op. cit., p. 209.
35I. Demarrez, Brieven tussen hemel en hel. Het oorlogsverhaal van Falk en Nora Epsteins-Pieruccini, C. De Vries-Brouwers, 2015.
36P. Falek-Alhadeff, A Precarious Life. East European Female Jewish Students in Interwar Belgium, ‘Les Cahiers de la Mémoire Contemporaine’, 11 (2014), p. 243.
37P. Falek-Alhadeff, op. cit.
38We schrijven ‘Rifca’ met een ‘c’ omdat dit de manier is waarop ze de documenten die we over haar terugvonden ondertekende. ‘Rifka’, ‘Rivka’, ‘Riwka’ of, ongebruikelijk, ‘Rivca’ zijn alle varianten van de Hebreeuwse naam Rebekka.
39Voor de Tweede Wereldoorlog was de Joodse gemeenschap in Iași aanzienlijk. De universiteitsstad in het Noord-Oosten van Roemenië telde ongeveer 35.000 Joden, wat neerkwam op meer dan een derde van de totale bevolking van Iași op dat moment. Het was een van de belangrijkste Joodse centra in Roemenië en een van de oudste in het land, met een rijke religieuze, culturele en economische aanwezigheid.
40De Papeteries de Belgique in Langerbrugge werden opgericht in 1932 en vormden een nevenbedrijf van de Centrales Électriques des Flandres et du Brabant. In 1928 had Léopold Herry, directeur van de elektriciteitscentrale, scheikundig ingenieur Samuel Schor aangesteld om een projectstudie te maken voor de fabriek met de bedoeling krantenpapier op basis van hout te produceren. Schor was in 1939 tot Belg genaturaliseerd en werd directeur van de fabriek.
41Haar broer werd lid van het lokale comité van deze opgelegde vereniging op 13 augustus 1942.
42M. Verschooris, op. cit., p. 70.
43Aan Martha Geiringer wijdde Marc Verschooris een volledig boek: M. Verschooris, Martha’s labyrint, Sterck & Devreese, 335 p.
44D. Martin, op. cit., p. 143.
45D. Martin, op. cit., p. 144.
46‘De Gentsche Universiteit na de bevrijding’, Vooruit, 13.7.1945; ‘Hoe de Gentsche Hoogeschool den bezetter weerstreefde’, Het Volk, 6.7.1945.
47Brochure ‘Weerstand en bevrijding’, Universiteit Gent, 1945, p. 4.
48D. Martin, op. cit., p. 150.
49D. Martin, op. cit., p. 146.
50Universiteit Gent, Plechtige openingen der leergangen op 12 november 1945, 1945, p. 35.
51S. De Pestel, op. cit., p. 117.
52Twee andere Joodse studentenslachtoffers werden niet vernoemd: Louis Lelie en Marcus Fink. Wellicht was dit omdat er op dat moment nog geen nieuws was of ze de vervolging al dan niet hadden overleefd.
53Toespraak R. Vandenbroeck, Secretaris van het Rectoraat, Jaarverslag Universiteit Gent, 1946, p. 43.
54Professor Paul De Backer was tussen 1938 en 1953 directeur-diensthoofd van de Kliniek voor radiotherapie en kerngeneeskunde van de Universiteit Gent.
55Jaarverslag Universiteit Gent 1944-1945, pp. 52-54.
56D. Martin, op. cit., pp. 147-148.
57Jaarverslag Universiteit Gent, 1946, pp. 49-51.
58’25 novembre 1941: L’Université Libre de Bruxelles ferme ses portes’, Archives de l’ULB, 1991, p. 128.
59Het betreft een blauwe hardstenen, rechthoekige gedenkplaat met een bekroond wapenschild en de tekst ‘1940-1945, in piëteitsvol aandenken. Ze stierven voor land en volk’ met de namen van de vier gesneuvelden.
60P. Van Oye, ‘Fedor Falk Epsteins’ in: Biologisch Jaarboek, Koninklijk Natuurwetenschappelijk Genootschap Dodonaea, 16 (1949), p. 30.
61K. De Clerck, L. De Meyer, e.a., 175 jaar Universiteit Gent: een verhaal in beeld, Universiteit Gent, 1992.
62‘Universiteit Gent herdenkt haar Joden’, De Gentenaar 15.5.1996; ‘Gedenkplaat Joodse studenten onthuld’, Het Volk, 17.5.1996; ‘Gedenkplaat Shoah-slachtoffers aan de Gentse universiteit’, De Morgen, 15.5.1996; Joodse studenten herdacht, Het Laatste Nieuws, 16.5.1996; Onthulling gedenkplaat, Belgisch Israëlitisch Weekblad, 7.6.1996.
63Zie hierover het boek van UGent professor Germaanse talen Jürgen Pieters, ‘De asse waait de tuin weer binnen: De boeken van Suse Esberg’, ASP, 2019.
64Brief Georges Schneck aan Rector Jacques Willems, d.d. 23 mei 1996, Universiteitsarchief, ref. 5485.
65Frederik Kuliasko studeerde af aan de UGent in 1954, was jarenlang voorzitter van de Joodse Gemeenschap Gent (JGG). Hij werd als Joods kind verborgen van 1942 tot aan de bevrijding. Zijn vader en veel van zijn familieleden werden vermoord in de kampen.
66Ook na 1996 kwam het nog tot herhaaldelijke gevallen van negationistische uitspraken. In 2001 vroeg de Raad van Bestuur van de Universiteit bij monde van Rector Jacques Willems het ontslag van bestuurslid Vlaams Blok-senator Roeland Raes wegens uitspraken in verband met de ontkenning van de holocaust. De rector oordeelde dat dit in strijd was met de idealen van de universiteit.
67De speech was gebaseerd op een tekst aangeleverd door UGent Professor Joodse studies Julien Klener, die zelf als Joods kind verborgen was gehouden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
68S. De Pestel, op. cit., p. 58.
69M. Verschooris en Y. Louis, De faculteit Geneeskunde tijdens Wereldoorlog II, website UGentMemorie.
70Voor een detaillering van de manier waarop de ’telling’ gebeurde, zie D. Martin, op. cit., pp. 140-141.
71Professor in de plantkunde Paul Fröschel (Wenen 1888-Utrecht 1963) was in 1938 uit Oostenrijk naar België overgekomen. Geboren op 8 februari 1912 in Bohorodczany (Oekraïene), met de Poolse nationaliteit, onderbrak Jacob Rappaport in september 1933 zijn studies aan de Universiteit van Leipzig om Duitsland te ontvluchten. Hij hervatte zijn studies in de agronomie in Gent, waar hij in 1937 afstudeerde. Hij vervolmaakte zijn opleiding door in 1938 de titel van doctor in de plantkundige wetenschappen te behalen aan de Universiteit van Dijon. Rappaport werd datzelfde jaar assistent aan de afdeling fysiologie van het botanisch instituut. Tot in juli 1940 was hij onderzoeker aan deze instelling (B. Dickschen, ‘La ferme-école juive de La Ramée durant l’occupation (avril 1941 – août 1942)’, Les Cahiers de la Mémoire contemporaine, 6 (2005), pp. 79-133). Over het wedervaren van Funke, Rappaport en Fröschel zie M. Verschooris, Uit de lus van de strop, Sterck & De Vreese, 2020, pp. 187-189.
72G. Deneckere, op. cit., p. 207.
73D. Martin, op. cit., p. 160.
74A. Flipse, ‘Het herdenken der slachtoffers gevoeld als een eerste plicht’: Oorlogsmonumenten en herdenkingscultuur aan Nederlandse universiteiten’, in W. Berkelaar, A. Flipse, G. Harinck, T. de Jong, & G. van Klinken (Eds.), Een oorlogsplaquette ontrafeld: Het herdenkingsmonument 1940-1945 van de Vrije Universiteit Amsterdam, 2020, pp. 47-67.
75A. Flipse, op. cit., p. 67.
76A. Flipse, op. cit., p. 53.
77‘Het Rectoraat doet een beroep op al diegenen die omtrent gesneuvelde, gevangen of gekwetste studenten, ex-studenten, professoren, werkleiders, assistenten en leden van ons administratief personeel inlichtingen zouden kunnen verschaffen.’ (Brochure ‘Weerstand en Bevrijding’, Universiteit Gent, 1945, p.12).
78A. Flipse, op. cit., p. 49.
79A. Flipse, op. cit., p. 47.
80In 2007 werden nog vijf ‘vergeten’ oorlogsslachtoffers getraceerd en voor hen werd een aparte steen onthuld. (A. Flipse, op. cit. p. 53).
81A. Flipse, op. cit., p. 54.
82Het opschrift luidt: ‘1940-1945. De universitaire gemeenschap, in geestelijke vrijheid herleefd, gedenkt haar leden, gevallen in strijd voor het vaderland.’ (A. Flipse, op. cit., p. 55).
83A. Flipse, op. cit., pp. 65-66.
84A. Flipse, op. cit., p. 67.
85De VUB leerstoel Sporen van het Verzet is een gezamenlijk initiatief van vzw Helden van het Verzet, VUB Research en de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte.
86K. Aerts, ‘Wie lessen wil trekken uit het verleden, moet bereid zijn te leren over dat verleden’, De Standaard, 8 juni 2024.

Eindnoten

1S. Depestel, Monumenten ter ere van gesneuvelden uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog in Gent: een (kunst)historisch overzicht met voorstellen ter bevordering van de instandhouding en eventuele restauratie, onuitgegeven masterthesis Artesis Hogeschool Antwerpen, 2009.
2G. Deneckere, Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent, Tijdsbeeld, 2017.
3G. Deneckere, op. cit., p. 202.
4Na de oorlog werd De Vleeschauwer bij verstek ter dood veroordeeld. Hij vluchtte naar Zuid-Afrika waar hij tot in 1966 doceerde aan de Universiteit van Zuid-Afrika. Dat een veroordeelde collaborateur dit kon doen, werd in 2002 aan de kaak gesteld door onderzoeker Archie L. Dick van de Universiteit van Pretoria (A. Dick, ‘Scholarship, identity and lies: the political life of HJ de Vleeschauwer, 1940-1955’, Kleio 34 (2002) pp. 5-27).
5D. Martin, De Rijksuniversiteit Gent tijdens de bezetting 1940-44. Leven met de vijand, Gent, Universiteit Gent, 1985, p. 151.
6G. Deneckere, op. cit., p. 202.
7De hier vernoemde verzetsactiviteiten worden beschreven in J. Denys, Gent ’40-’45: drie broers in het verzet, Skribis, 2022, 197 p.
8De werkelijke bron moet men zoeken bij de Bank van Brussel, waar Story een belangrijke functie bekleedde en ook bij de holding Brufina, met wiens toenmalig secretaris-generaal Story bevriend was (H. Goossens, Met pen en stencilmachine in strijd tegen de Nieuwe Orde: De clandestiene pers van de Kommunistische Partij en het Onafhankelijkheidsfront in Oost-Vlaanderen (1940-1944), Masereelfonds, 1979).
9Toespraak P. De Backer, Jaarverslag Universiteit Gent 1944-1945, p. 52. Archief Universiteit Gent, Jaarverslagen Universiteit Gent, ARUG_PV1_098.
10J. Naert, Het Gentse Onafhankelijkheidsfront in de naoorlogse jaren: ‘Une victoire sans lendemain’, onuitgegeven masterscriptie, Universiteit Gent, 2012, p. 91.
11K. Steen, De schemerzone van een stad in oorlog: de evolutie van het verzet in Gent (1940-1944), onuitgegeven doctoraatsverhandeling, Universiteit Gent, 2007, p.437.
12G. Deneckere, op. cit., p. 210.
13A. Hacquaert, ‘In memoriam Valère Billiet en Karel Verlat’, Verslag over den toestand van de Universiteit gedurende het academisch jaar 1944-45, Gent, 1946, pp. 36-38.
14Dat was ook het geval op het Koninklijk Atheneum te Gent: zijn naam wordt vermeld op een stèle met de namen van de slachtoffers verbonden aan het Atheneum en het natuurkundelokaal in de school draagt nog steeds zijn naam.
15M. Verschooris, Uit de lus van de strop: Gentenaars in de bres voor de Joodse bevolking, 1940-1944, Sterck & Devreese, 2020. 286 p.
16R. Van Doorslaer, Kinderen van het getto: Joodse revolutionairen in België 1925-1940, Hadewijch, 1995, p. 82.
17Enkel in de verplichte registratielijst voor joden van 5 juni 1942 vinden we een beroepsaanduiding terug. Hierin werden de volgende personen als ‘student’ omschreven zonder precisering aan welke instelling ze precies student waren: Ernst Klipstein (°25.1.1921), Louis Lelie (°15.12.1920), Jacob Dorfman (°4.10.1903), Morduch Ejdelzon (°31.11.1909), Marcus Fink (31.3.914), Eric Scheschelowski (°11.8.1925), Ferencz Csapo (°1.6.1914) en David Lustig (°26.8.1922). UGent student Jacob Van Engel was te Antwerpen ingeschreven. Student Germaanse talen Joachim Esberg bevond zich met zijn vader in Frankrijk, van waaruit hij gedeporteerd werd. Bron: Stadsarchief Gent, Reeks IX (Personeelszaken).
18Tussen 1933 en 1938 kwamen ongeveer 10.000 hoofdzakelijk Joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland naar België. Er leefden begin 1933 in Duitsland naar schatting ongeveer 500.000 gelovige Joden. (L. Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad: een geschiedenis van Antwerpen en zijn Joodse bevolking (1880-1944), Lannoo, 2000, pp. 188-189).
19K. Verhaeghe, ‘Hoe Erwin Schrödinger na de Anschluss tijdelijk onderdak vond in Gent’, EOS Wetenschap, 22 april 2025.
20M. Verschooris, ‘Tussen benauwenis en verademing. Gentenaars in de bres voor de Joodse bevolking, 1940-1944’, Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis & Oudheidkunde te Gent, 2020(74), pp. 61-87.
21In een nieuwe lijst, opgesteld door de dienst bevolking van de stad, van 5 juni 1942 was dit aantal gezakt tot 190. In heel België lieten zich meer dan 55.000 mensen registreren.
22Archief Universiteit Gent, Dossiers Tweede Wereldoorlog, ARUG_4A2_5_005.
23Handovsky werd hierna gelukkig geholpen door voormalig rector August Vermeylen. Als Duitser kon hij na de oorlog met moeite en slechts tijdelijk opnieuw zijn positie aan de universiteit opnemen. Hij verwierf uiteindelijk de Belgische nationaliteit, maar keerde in 1957 toch naar Göttingen terug waar hij twee jaar later stierf. (H. Vandevoorde, ‘A Jewish intellectual under the radar’, Journal of Dutch Literature, 9.1 (2018), pp. 97-111).
24Brief rector De Smet 30.3.1941: ‘De Rector der Rijksuniversiteit te Gent laat aan de Dames en Heeren Studenten bij deze weten dat zij die van Joodsche afkomst zijn zich vóór zaterdag 5 april op het Rectoraat moeten aanmelden, voorzien van hun eenzelvigheidskaart. De belanghebbende studenten die zouden nalaten zulks voor gestelden datum te doen, stellen zich bloot aan latere moeilijkheden. De Rector, G. De Smet.’, Archief Universiteit Gent, op. cit.
25Archief Universiteit Gent, op.cit. en D. Martin, op. cit., p. 143.
26M. Cools, Nico Gunzburg: een ‘vooraanstaande personaliteit’, Gompel & Svacina, 2025, p. 194.
27M. Verschooris, De grimmige lente van 1940: De lotgevallen van 18 jongeren tijdens de Tweede Wereldoorlog, Sterck & De Vreese, 2024, pp. 35-36.
28Archief Universiteit Gent, op.cit.
29Rector G. De Smet aan Directeur-Generaal Hoger Onderwijs, 17.3.42 (ref. B-234/X), Archief Universiteit Gent, op.cit.
30Brieven van de Militärbefehlshaber dd. 13.2.42 (voor Lelie) en 23.4.42 (voor Fink), nadat Rector De Smet voor Fink had gepleit in een brief aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs van 17.3.42. Archief Universiteit Gent, op.cit.
31Van Oye was als fervent aanhanger van Julius Mac Leod sterk betrokken geweest bij de uitbouw van een Vlaamse wetenschappelijke cultuur en was in 1926 aan de Nolf-universiteit benoemd. Samen met andere professoren was ook hij bij aanvang van de bezetting naar Toulouse gevlucht (G. Deneckere, op. cit., p. 201.)
32G. Deneckere, op. cit., p. 202.
33G. Deneckere, op. cit., p. 202.
34G. Deneckere, op. cit., p. 209.
35I. Demarrez, Brieven tussen hemel en hel. Het oorlogsverhaal van Falk en Nora Epsteins-Pieruccini, C. De Vries-Brouwers, 2015.
36P. Falek-Alhadeff, A Precarious Life. East European Female Jewish Students in Interwar Belgium, ‘Les Cahiers de la Mémoire Contemporaine’, 11 (2014), p. 243.
37P. Falek-Alhadeff, op. cit.
38We schrijven ‘Rifca’ met een ‘c’ omdat dit de manier is waarop ze de documenten die we over haar terugvonden ondertekende. ‘Rifka’, ‘Rivka’, ‘Riwka’ of, ongebruikelijk, ‘Rivca’ zijn alle varianten van de Hebreeuwse naam Rebekka.
39Voor de Tweede Wereldoorlog was de Joodse gemeenschap in Iași aanzienlijk. De universiteitsstad in het Noord-Oosten van Roemenië telde ongeveer 35.000 Joden, wat neerkwam op meer dan een derde van de totale bevolking van Iași op dat moment. Het was een van de belangrijkste Joodse centra in Roemenië en een van de oudste in het land, met een rijke religieuze, culturele en economische aanwezigheid.
40De Papeteries de Belgique in Langerbrugge werden opgericht in 1932 en vormden een nevenbedrijf van de Centrales Électriques des Flandres et du Brabant. In 1928 had Léopold Herry, directeur van de elektriciteitscentrale, scheikundig ingenieur Samuel Schor aangesteld om een projectstudie te maken voor de fabriek met de bedoeling krantenpapier op basis van hout te produceren. Schor was in 1939 tot Belg genaturaliseerd en werd directeur van de fabriek.
41Haar broer werd lid van het lokale comité van deze opgelegde vereniging op 13 augustus 1942.
42M. Verschooris, op. cit., p. 70.
43Aan Martha Geiringer wijdde Marc Verschooris een volledig boek: M. Verschooris, Martha’s labyrint, Sterck & Devreese, 335 p.
44D. Martin, op. cit., p. 143.
45D. Martin, op. cit., p. 144.
46‘De Gentsche Universiteit na de bevrijding’, Vooruit, 13.7.1945; ‘Hoe de Gentsche Hoogeschool den bezetter weerstreefde’, Het Volk, 6.7.1945.
47Brochure ‘Weerstand en bevrijding’, Universiteit Gent, 1945, p. 4.
48D. Martin, op. cit., p. 150.
49D. Martin, op. cit., p. 146.
50Universiteit Gent, Plechtige openingen der leergangen op 12 november 1945, 1945, p. 35.
51S. De Pestel, op. cit., p. 117.
52Twee andere Joodse studentenslachtoffers werden niet vernoemd: Louis Lelie en Marcus Fink. Wellicht was dit omdat er op dat moment nog geen nieuws was of ze de vervolging al dan niet hadden overleefd.
53Toespraak R. Vandenbroeck, Secretaris van het Rectoraat, Jaarverslag Universiteit Gent, 1946, p. 43.
54Professor Paul De Backer was tussen 1938 en 1953 directeur-diensthoofd van de Kliniek voor radiotherapie en kerngeneeskunde van de Universiteit Gent.
55Jaarverslag Universiteit Gent 1944-1945, pp. 52-54.
56D. Martin, op. cit., pp. 147-148.
57Jaarverslag Universiteit Gent, 1946, pp. 49-51.
58’25 novembre 1941: L’Université Libre de Bruxelles ferme ses portes’, Archives de l’ULB, 1991, p. 128.
59Het betreft een blauwe hardstenen, rechthoekige gedenkplaat met een bekroond wapenschild en de tekst ‘1940-1945, in piëteitsvol aandenken. Ze stierven voor land en volk’ met de namen van de vier gesneuvelden.
60P. Van Oye, ‘Fedor Falk Epsteins’ in: Biologisch Jaarboek, Koninklijk Natuurwetenschappelijk Genootschap Dodonaea, 16 (1949), p. 30.
61K. De Clerck, L. De Meyer, e.a., 175 jaar Universiteit Gent: een verhaal in beeld, Universiteit Gent, 1992.
62‘Universiteit Gent herdenkt haar Joden’, De Gentenaar 15.5.1996; ‘Gedenkplaat Joodse studenten onthuld’, Het Volk, 17.5.1996; ‘Gedenkplaat Shoah-slachtoffers aan de Gentse universiteit’, De Morgen, 15.5.1996; Joodse studenten herdacht, Het Laatste Nieuws, 16.5.1996; Onthulling gedenkplaat, Belgisch Israëlitisch Weekblad, 7.6.1996.
63Zie hierover het boek van UGent professor Germaanse talen Jürgen Pieters, ‘De asse waait de tuin weer binnen: De boeken van Suse Esberg’, ASP, 2019.
64Brief Georges Schneck aan Rector Jacques Willems, d.d. 23 mei 1996, Universiteitsarchief, ref. 5485.
65Frederik Kuliasko studeerde af aan de UGent in 1954, was jarenlang voorzitter van de Joodse Gemeenschap Gent (JGG). Hij werd als joods kind verborgen van 1942 tot aan de bevrijding. Zijn vader en veel van zijn familieleden werden vermoord in de kampen.
66Ook na 1996 kwam het nog tot herhaaldelijke gevallen van negationistische uitspraken. In 2001 vroeg de Raad van Bestuur van de Universiteit bij monde van Rector Jacques Willems het ontslag van bestuurslid Vlaams Blok-senator Roeland Raes wegens ontkenning van de holocaust. De rector oordeelde dat dit in strijd was met de idealen van de universiteit. In 2008 liep Raes een veroordeling op bij de Brusselse correctionele rechtbank in verband met antisemitische uitspraken uit 2004. Het hof van beroep bevestigde de veroordeling wegens negationisme in 2010.
67De speech was gebaseerd op een tekst aangeleverd door UGent Professor Joodse studies Julien Klener, die zelf als Joods kind verborgen was gehouden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
68S. De Pestel, op. cit., p. 58.
69M. Verschooris en Y. Louis, De faculteit Geneeskunde tijdens Wereldoorlog II, website UGentMemorie.
70Voor een detaillering van de manier waarop de ’telling’ gebeurde, zie D. Martin, op. cit., pp. 140-141.
71Professor in de plantkunde Paul Fröschel (Wenen 1888-Utrecht 1963) was in 1938 uit Oostenrijk naar België overgekomen. Geboren op 8 februari 1912 in Bohorodczany (Oekraïene), met de Poolse nationaliteit, onderbrak Jacob Rappaport in september 1933 zijn studies aan de Universiteit van Leipzig om Duitsland te ontvluchten. Hij hervatte zijn studies in de agronomie in Gent, waar hij in 1937 afstudeerde. Hij vervolmaakte zijn opleiding door in 1938 de titel van doctor in de plantkundige wetenschappen te behalen aan de Universiteit van Dijon. Rappaport werd datzelfde jaar assistent aan de afdeling fysiologie van het botanisch instituut. Tot in juli 1940 was hij onderzoeker aan deze instelling (B. Dickschen, ‘La ferme-école juive de La Ramée durant l’occupation (avril 1941 – août 1942)’, Les Cahiers de la Mémoire contemporaine, 6 (2005), pp. 79-133). Over het wedervaren van Funke, Rappaport en Fröschel zie M. Verschooris, Uit de lus van de strop, Sterck & De Vreese, 2020, pp. 187-189.
72G. Deneckere, op. cit., p. 207.
73D. Martin, op. cit., p. 160.
74A. Flipse, ‘Het herdenken der slachtoffers gevoeld als een eerste plicht’: Oorlogsmonumenten en herdenkingscultuur aan Nederlandse universiteiten’, in W. Berkelaar, A. Flipse, G. Harinck, T. de Jong, & G. van Klinken (Eds.), Een oorlogsplaquette ontrafeld: Het herdenkingsmonument 1940-1945 van de Vrije Universiteit Amsterdam, 2020, pp. 47-67.
75A. Flipse, op. cit., p. 67.
76A. Flipse, op. cit., p. 53.
77‘Het Rectoraat doet een beroep op al diegenen die omtrent gesneuvelde, gevangen of gekwetste studenten, ex-studenten, professoren, werkleiders, assistenten en leden van ons administratief personeel inlichtingen zouden kunnen verschaffen.’ (Brochure ‘Weerstand en Bevrijding’, Universiteit Gent, 1945, p.12).
78A. Flipse, op. cit., p. 49.
79A. Flipse, op. cit., p. 47.
80In 2007 werden nog vijf ‘vergeten’ oorlogsslachtoffers getraceerd en voor hen werd een aparte steen onthuld. (A. Flipse, op. cit. p. 53).
81A. Flipse, op. cit., p. 54.
82Het opschrift luidt: ‘1940-1945. De universitaire gemeenschap, in geestelijke vrijheid herleefd, gedenkt haar leden, gevallen in strijd voor het vaderland.’ (A. Flipse, op. cit., p. 55).
83A. Flipse, op. cit., pp. 65-66.
84A. Flipse, op. cit., p. 67.
85De VUB leerstoel Sporen van het Verzet is een gezamenlijk initiatief van vzw Helden van het Verzet, VUB Research en de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte.
86K. Aerts, ‘Wie lessen wil trekken uit het verleden, moet bereid zijn te leren over dat verleden’, De Standaard, 8 juni 2024.

Prosper Claeys, L’antisémitisme à Gand en 1800

Messager des Sciences Historiques, 1894, pp. 369-372.

Pendant ľannexion de notre pays à la France, il arrivait fréquemment, à la fin du siècle dernier et au commencement du siècle actuel, que des personnes professant le culte Israélite fussent injuriées et même maltraitées dans les rues.

Malgré les lois qui proclamaient la liberté absolue de conscience et la faculté pour tous les citoyens de professer le culte qu’ils préféraient, cet abus prit un tel caractère de gravité que les Juifs demeurant à Gand crurent nécessaire de demander la protection de l’autorité. Ils adressèrent au préfet du département de l’Escaut, Faipoult, une pétition dans laquelle ils priaient ce haut fonction naire de faire mettre un terme aux vexations de toutes sortes dont ils étaient continuellement l’objet.

Le Conseil municipal, saisi de la question, prit dans sa séance du 9 prairial an VIII (29 mai 1800) la décision suivante :

“L’administration municipale du canton de Gand.

– Informée que plusieurs personnes sont assez mal intentionnées pour insulter et maltraiter journellement dans les rues, sur les places publiques, et ailleurs, des Citoyens proffessant la Religion judaïque.

– Rappelle à ses Concitoyens que sous le Gouvernement républicain les principes de liberté et d’égalité, qui en sont les bases, garantissent à chaque citoyen, quel que soit le culte qu’il embrasse, sûreté et protection pour sa personne et ses propriétés ;

– Qu’en conséquence les auteurs des atteintes à ces droits ne pourront que provoquer sur eux toute la sévérité des lois établies pour la répression de ces atteintes, et dont l’Administration municipale est déterminée à maintenir l’exécution de la manière la plus scrupuleuse.

Le présent avis sera inséré dans la Gazette de Gand.
Fait en séance du 9 prairial an VIII.
Présents les citoyens Jean Louis van Melle, Président; Quetelet, Simoens, Administrateurs municipaux; et Périer, secrétaire en chef.”

Cette proclamation fut publiée, avec la traduction flamande, dans la Gazette van Gent.

Nous ne connaissons la pétition envoyée au préfet que par la mention qui en est faite dans le procès-verbal de la séance de l’administration municipale du 9 prairial an VIII.

Il nous a été impossible de retrouver l’original de cette pétition, les anciennes archives du département de l’Escaut présentant de grandes lacunes, principalement pour la période dont nous nous occupons en ce moment.

Seraient-ce peut-être les vexations dont ils étaient l’objet qui avaient déjà en 1798 engagé les Juifs à solliciter de l’administration municipale l’autorisation d’avoir un cimetière particulier, entouré de murailles afin de mettre à l’abri des profanations les tombes où reposaient les membres de leur famille? Ce fait, qui n’aurait rien d’extraordinaire, nous a été révélé par le procès-verbal de la séance de l’administration municipale du 29 fructidor an VI (15 septembre 1798), où nous lisons:

“Le citoyen Moyses, juif de nation, demande à cette administration à faire un mur sur le terrein qui leur avait été accordé pour leur servir de cimetière.

L’administration considérant que la constitution ne reconnaît aucun culte dominant ni aucun privilège déclare qu’il n’y a pas lieu à délibérer.”

Au commencement de ce siècle encore les Juifs avaient, attenant au cimetière de la porte d’Anvers supprimé il y a une quinzaine d’années, quelques mètres de terrain à leur usage exclusif. C’est probablement ce «terrein» que vise la décision ci-dessus.

Rappelons que le pouvoir communal était exercé à cette époque par « l’administration municipale du canton de Gand » remplaçant l’ancien collège des vingt-six échevins supprimé à la suite de l’annexion de notre pays à la France.

L’administration municipale se composait de neuf membres dont un, le citoyen Jean Louis van Melle, remplissait les fonctions de président. Un délégué du gouvernement, nommé commissaire du pouvoir exécutif, assistait aux séances.

296243981_10160063327043810_4561444409297803990_n

Reglement van de joodse gemeenschap Gent – 25 augustus 1806

Les habitans de Gand soussignés, professant la religion de Moyse, assemblés pour délibérer sur le réglement de leur communauté ont arrêté ce qui suit.

La police dans l’intérieur de la sinagogue est attribuée à un parnas et à un gabay, qui sont élus à la majorité des voix. Il est aussi nommé à la majorité des voix, un gabay suppléant qui remplace le premier gabay en cas de maladie ou d’absence.

En l’absence du parnas, le premier gabay exerce les fonctions, conjointement avec le second gabay.

Les parnas et gabays sont nommés pour deux ans – ils sont rééligibles. Tous les membres de la communauté sont tenus de se rendre à la sinagogue aux heures précises indiquées pour les prières. Dans le cas où à l’heure indiquée le nombre de personnes nécessaires pour faire les prières ne serait pas complet, les absens payeront une amende de sept sous courants de Brabant. Lorsqu’un membre de la communauté sera malade, le parnas désignera chaque jour deux personnes qui seront chargées de le veiller. Les membres désignés pourront se faire remplacer, mais dans le cas où ils ne se rendraient pas en personne ou par leurs remplaçants auprès du malade, le défaillant payera une amende de vingt sous courants de Brabant.

Il sera accordé aux malades indigens des secours en nourriture, & médicamens à la charge de la communauté.

En cas de mort de l’un des membres de la communauté ou de quelqu’un de sa famille, le parnas désignera les personnes qui devront lui rendre les derniers devoirs. Si les personnes ne se présenteraient pas elles-mêmes, ou par leurs remplaçantes, elles seraient condamnées à une amende de trente sous courants de Brabant.

Les amendes seront payées dans les mains du parnas ou de son fondé de pouvoir. Elles seront affectées, ainsi que le produit des offrandes volontaires aux frais de culte, & aux secours à accorder aux indigens. Le sindic présentera chaque année un compte des sommes qu’il aura reçues.

Dans le cas où les rentrées excéderaient les dépenses, la communauté décidera si elle veut former un fonds de réserve, ou déterminera l’emploi des fonds restans. Dans le cas où les dépenses surpasseraient les rentrées chaque membre contribuera à proportion de ses moyens pour remplir le déficit.

Si quelque membre croyait avoir à se plaindre d’être surchargé par le parnas dans la contribution qu’il devrait fournir, ou d’avoir été injustement condamné à une amende il en appellera à l’assemblée de la communauté qui approuvera ou annullera la taxation à la majorité des voix.

Il sera à faire un inventaire des objets appartenans à la société, cet inventaire sera renouvellé tous les ans.

Dans le cas où quelque membre de la société s’en retirât ou en fut exclus par quelque motif grave, il n’aurait pas le droit de réclamer sa part dans le mobilier de la société.

L’exclusion ne pourra être prononcée qu’à la majorité de huit voix sur dix, ou dans la proportion.

Il est sévérement interdit de s’occuper dans la sinagogue à autre chose qu’aux prières pendant tout le temps qui y est destiné. Le changement du local de la sinagogue, la fixation du loyer, le traitement du rabin, l’augmentation du mobilier, l’achat de livres sacrés & autres dépenses extraordinaires seront proposés par le parnas à la communauté assemblée qui en délibérera.

Hors le cas de l’exclusion d’un membre, les délibérations seront prises à la majorité des suffrages: en cas de partage l’opinion du parnas comptera pour deux voix.

La clef du cimetière sera déposée dans la sinagogue et la clef de la sinagogue demeurera dans les mains du parnas, ou de son préposé.

Gand 25 août 1806.

[signé]
S. Emanuel, parnas
Heman Jacob, gabaij
Hartog Levi de Jong
David Hirsch
Lazare Pollack
[e.a.]

De joden en hun geschiedenis te Gent

Paul Rogghé, “De joden en hun geschiedenis te Gent”.
Ghendtsche Tydinghen, 2(3), 1973, pp. 51-61.

Er is over de joden en hun geschiedenis te Gent weinig geschreven. De gegevens zijn schaars, ontoereikend en meestal onbetrouwbaar. In deze bijdrage pogen we een leemte aan te vullen en een zo trouw mogelijk overzicht te geven over het bestaan der joden te Gent.

Naar een hedendaags historicus in zijn Geschiedenis der Joden in de middeleeuwen mededeelt hebben zich in die eeuwen geen joden in Vlaanderen gevestigd. Dit is bepaald onjuist. Volgens de oude Jewish Encyclopedia woonden er reeds ten tijde van de kruistochten joden te Gent. Zij werden toen ongenadig opgejaagd en hun huizen werden geplunderd. Die vervolging had een religieus karakter. Volgens dezelfde joodse bron werden in 1125, de joden uit Gent gebannen door Graaf Karel de Goede, die ze mede verantwoordelijk achtte voor de hongersnood die toen heerste. Deze gegevens van de Encyclopedia konden we echter niet controleren.

Joden, die waarschijnlijk uit Frankrijk waren ingeweken, worden voor het eerst met name te Gent vermeld in 1279. Het betreft Jacob Moyses en zijn broer Isaac l’Usurier. Vanwege de graaf kregen ze een verblijfsvergunning onder voorwaarden, en voor een termijn van zes jaar. Ze mochten goud en zilver wisselen en verhandelen, allerlei waren kopen en verkopen, kortom hun geld op alle wijzen doen opbrengen, zonder echter aan woeker te doen. Het was hun toegestaan zich te vestigen in de Sint-Michielsparochie.

In de stadsrekeningen van 1280 noteren we de namen van heer Willem de Joede, dezelfde die waarschijnlijk met name Willem de Juede voorschepen van Gent werd in het schepenjaar 1301-02, en Soy de Joede, die pachter werd van de Vismarkt. In 1322, 1327-1330 is er in de rekeningen alweer sprake van Willem de Juede, waarschijnlijk de zoon van de reeds genoemde of nog steeds de oude. De man stond borg voor een pachter van de stadsramen, leende de magistraat aan wie hij ook scharlaken leverde. Hij was verwant met de Gentse patriciërs Thomas en Willem van Vaernewijc. In 1365 en 1367 staat nogmaals Willem de Juede genoteerd, nu als schepen van gedele. In dezelfde eeuw worden in de rekeningen nog de namen vermeld van Jehan fil Sohiers, die door de stad beboet werd wegens woeker, Merin sJoden die gestraft werd wegens vechten, Jan en Rombout de Juede, de geldschieter; Pauwels de Juede, die eveneens schepen van gedele werd en Jacob de Juede, die steun van de stad genoot in het Sint-Janshuis.

Ofschoon niet alle lieden die de naam droegen van De Joede, de Juede, sJode, joden waren, toch mag worden aangenomen dat sommigen onder deze naamdragers, vooral degenen die geldhandel dreven, als Willem de Juede, zich hadden laten kerstenen om zich beschermd te voelen tegen allerlei moeilijkheden en vervolgingen die hun beroep konden opleveren en verder om de weg geopend te zien naar het verwerven van het Gents poortersrecht en het bekleden van een stadsambt, dat alleen door christenen kon worden uitgeoefend. Noteren we terloops dat tot in de XVIIIe eeuw slechts een christen poorter kon worden. Inzake bekering waren de gedoopte Gentse joden te beschouwen als de voorlopers van de gekerstende joden in Gelderland, zoals de familie Otte Carrolent e.a. in Brabant en de latere Marranen in Portugal. Of deze Gentse proselieten crypto-joden waren of oprecht van geloof waren veranderd konden we niet uitmaken. Dat het in de XIVe eeuw beter was christen te zijn dan jood verhalen ons alweer de stadsrekeningen. We vernemen inderdaad dat in het schepenjaar 1335-36, broeder Jan “de camp vacht jegen den Juede” wat beduiden mag dat hij ze tot een tweegevecht uitdaagde, waarvoor de stad hem een vergoeding van tien pond toekende.

Erger was het met de Gentse joden gesteld in augustus 1349, toen de magistraat “dingde” of recht sprak “om de jueden”. Wat de joden toen hadden misdreven is niet precies vast te stellen. Werden ze verantwoordelijk geacht voor het woeden van de Zwarte Dood of pestepidemie? Had het proces iets te maken met de ophitsing door de fanatieke sekte der geselaars, die de joden vervolgden en molesteerden, en die juist in die tijd door de stad trokken. Dat er toen te Gent en ook elders hetze bestond tegen de joden laat geen twijfel over. Het gerucht was toen genoeg verspreid dat ze heiligschenners waren, dat ze drinkputten vergiftigden en ritueel kinderen slachtofferden. De joden waren de zondebokken van alles en nog wat. Het is mogelijk dat zoals te Aalst, Roeselare, Zottegem, Herzele, Gavere ook te Gent joden leentafelhouders waren. In de stadsrekeningen e.a. teksten vonden we daarvan echter geen spoor. In het begin van de eeuw hield de lombard Jan de Mirabello een leentafel te Gent en in de volgende eeuw, zeker van 1441 tot 1501 monopoliseerden lombarden het recht pandhuizen open te houden in de stad.

Of de joden, die in de XlVe eeuw te Gent verbleven, overeenkomstig het besluit van het Concilie van Lateranen van 1215, verplicht waren het jodenschijfje, in het Frans “rouelle” genaamd, als kenteken te dragen weten we niet.

In de XVe eeuw maakte Jan van Sicleer, naar Fris beweert van Joodse afkomst, zich berucht door zijn rijkdom en zijn invloed. Ook hij was ongetwijfeld een proseliet. Hij werd schepen van de Keure in 1435, 1441, 1444, 1456, 1459 en 1464, stadsontvanger-boekhouder in 1436, 1442 en 1457, deken der goudsmeden in 1455-56, overdeken in 1440 en 1441 en stadskiezer in 1440.

Hij werd beschuldigd van bedrog en onregelmatigheden en tot tweemaal toe gebannen, een laatste maal in 1451. Zijn huis aan de Hoogpoort werd openbaar verkocht op 11 juli 1453, wat hem niet belette mettertijd weer machtig boven water te komen. In 1469 was hij of een andere Jan van Sycleer solliciteur van de abt van Sint-Baafs. Symoen, de broer van Jan, werd schepen van gedele in 1445. Verder worden nog in de teksten vermeld Gillis Isaak, die vervolgd werd wegens schulden en de wisselaar Martin van Sycleer. In de XVIe eeuw werd Lievin van Sycleer, waarschijnlijk een afstammeling van de Van Sicleer uit de vorige eeuw, heer van Gottem, Gents schepen in 1554 en ontvanger-boekhouder van de stad in 1557. In de loop van deze eeuw werden twee “jueden” gebannen, de ene wegens zijn zedeloos gedrag of putierschap , de andere, Abraham de Jood, wegens woeker.

In 1596 is er in de teksten sprake van een huis “Juedenburch” genaamd in de Donkersteeg. Er wordt ook melding gemaakt van “Juedenvierne” te Gent. Bij ordonnantie van 1526 liet Keizer Karel V toe dat de nieuwe christenen of Marranen (gekerstende joden) uit Portugal door de Nederlanden mochten reizen of er zich vestigen. Dit privilege, werd door de Keizer herhaald en bevestigd op 17 januari 1536. Of er Marranen te Gent kwamen wonen weten we niet. Daar sommige Marranen allesbehalve bekeerd bleken te zijn, vooral te Antwerpen, vaardigde de Keizer te Gent op 17 juli 1549 een plakkaat uit, waarbij het voorrecht aan de Marranen verleend, werd afgeschaft. Alle nieuwe christenen, sinds zes jaar in den lande gevestigd, moesten met familie en bezit binnen de maand de Nederlanden verlaten “op de peyne van confiscatie van lijfve ende goet”.

In mei 1550 werd dit plakkaat door de keizer nog scherper gesteld te Brussel. Dientengevolge moesten alle nieuwe christenen, zelfs diegenen die niet in Portugal hadden geleefd, het land uit. De Marranen waren echter taai. Men vond er nog ten tijde van Filips II van Spanje in de twee Nederlanden.

In de XVIIe eeuw vermelden de Resolutieboeken van de Staten van Vlaanderen het bestaan van een Gents koopman-geldschieter met name Jacob de Jode. Hij stond borg voor Pieter De Smet, die pachter werd van ’s lands middelen in de casselrij van Oudenaarde en de roeden van Tielt en Deinze in 1648 en pachter van de provincierechter in 1650. Dezelfde bron vermeldt ook Adriaan De Jode, die leverancier van geneesmiddelen was. Noteren we nog het bestaan van een jodenstraatje in 1687 en 1696 in de Sint-Niklaasparochie (ook een Jodenstraatje of Sacramentstraatje aan de Veldstraat in 1767- 1793) en een jodenstraatje aan de huidige Gouvernementstraat in 1812.

In de XVIIIe en nl. in 1724 wordt alweer melding gemaakt van Joden te Gent. Ze komen zelfs ter sprake in de raad van het stadsbestuur op 23 september. Daar werd beslist dat de joden voortaan op een bijzondere wijze de eed zouden afleggen. Voortaan moesten ze blootsvoets zweren op de Pentateuch of de boeken van Mozes, waarvan ze voorzien moesten zijn, door de rechterhand “tot aende cneuckels”. te plaatsen op het woord “Lo tissa” (Exodus XX,7) en daarbij de volgende formule uitspreken: In der saecken, daer in ick ghevraeght worde, wil ick de waerheyt seggen; alsoo sweere ick dat mij helpe Godt, die hemel ende aerde, bergh ende dal, loof en gras geschapen heeft, daer het niet was; ende in ghevalle ick onrecht sweere, dat peck ende solfer op mij reghene.

Toonde de Gentse magistraat enig begrip voor de joden, voor de wijze van zweren “op de maniere bij de joden gheuseeert”, dan behandelde in 1756 de Oostenrijkse gouverneur-generaal Karel van Lorreinen de Gentse e.a. joden die de vereiste tol- en stadsrechten betaalden, maar er kwamen ook joden van elders, o.m. uit Antwerpen, zoals de familie Levi Hartogh Bromet, die sinds veertig jaar de Gentse kruidenierswinkels kwam bevoorraden, en tegen wie niets was aan te merken. Nu verweet de gouverneur-generaal het Gentse stadsbestuur te gemakkelijk toe te laten dat joden de stad aandeden of er kwamen wonen. Hij bepaalde dat voortaan elke jood een jaarlijkse speciale taks van 1500 fl. zou betalen. Wie deze belasting, die in de eerste plaats de arme jood trof, niet kon opbrengen was het verboden langer dan tweemaal vierentwintig uur te Gent te verblijven. De Gentse en ook andere magistraten waren echter niet gehaast het decreet van 20 november uit te voeren, zodat de gouverneur verplicht was zijn bevel te herhalen op 14 juni 1757. De oppositie tegen de maatregelen bleef echter aanduren. De ordonnantie werd niet naar de letter toegepast.

Met het aan het bewind komen van Jozef II, die met zijn Tolerantie-edict van 1781 gewonnen was voor vrijheid van geweten en godsdienst, veranderde toch heel wat in het voordeel van de joden. Dank zij deze verlichte despoot werden aan de joden bepaalde rechten toegekend. Hun kinderen mochten naar school gaan. Zijzelf moesten geen bijzonder kenteken zoals dat soms hier en daar vereist was, meer dragen. Ze mochten, waar het gelegen kwam, het land bebouwen, handel drijven of een ambacht uitoefenen.

Dit laatste was in Vlaanderen steeds de joden geweigerd geworden. In 1786 moesten de joden in het bezit zijn van een wettelijke geschreven akte van “poorterije en civiliteit” en deze akte moest elk jaar hernieuwd worden. De jood die voorzijn onderhoud niet geldelijk kon instaan moest echter het land verlaten. Te Gent profiteerden de “smousen” zoals de joden toen ook werden genoemd, van de genadige maatregelen, en enkele joden, gevestigd in Sint-Antoon aan de Oude Beestenmarkt, gebruikten in de buurt van het Spanjaardskasteel een Kamer voor synagoog.

In 1784 had Jozef II de parochiale kerkhoven binnen Gent afgeschaft en ze doen vervangen door drie andere. De doden van de parochies van Sint-Niklaas, Sint-Michiel en Sint-Maarten op Akkergem werden nu begraven, buiten de Brugse Poort (waar de protestanten reeds in 1566 hun doden begroeven, later in 1578-1584 in het Tempelhof). De doden van de parochies van Sint-Baafs, Sint-Jacob en H. Kerst werden ter aarde besteld “buiten de Dampoort” en nl. in de Wasstraat. Tenslotte kwamen de overledenen van de parochie en de abdij van Sint-Pieters terecht op de Ottergemse Dries “buiten de Heuvelpoort”. Voor 1784 werden de joden waarschijnlijk op de “heydenen kerkhoven” rond de Gentse parochiekerken als Sint-Maarten op Akkergem en wellicht nog andere begraven. Met Jozef II kregen de Gentse joden een rustplaats van ongeveer negen meter op zeven en een halve meter, palend aan het nieuwe kerkhof aan de Wasstraat. Cosel Levy of Geschlinck zoon van R. Loew of Leib was de eerste jood die er begraven werd in maart 1786. Cosel Levy werd eerst begraven op het nieuwe kerkhof, maar op verzoek van zijn geloofsgenoten en na besluit van het stadscollege van 28 maart, ontgraven en overgebracht “’t eynden van de afgezonderde plaetse gedestineert voor degene die niet en zijn van de roomse catholycke religie”. Dit in toepassing van art. 2 van de keizerlijke verordening van 26 april 1784 aangaande het begraven. In 1798 verzocht citoyen Moyses, jood van natie, het Gentse stadsbestuur de joodse rustplaats aan de Wasstraat te laten ommuren teneinde het kleine kerkhof tegen profanaties te beschermen. Maar het stadsbestuur wimpelde het joodse verzoek af op grond van het feit dat “la constitution ne reconnaît aucun culte dominant ni aucun privilège”. De door de joden verworven vrijheden werden blijkbaar door de christenen slecht onthaald, wat een verwoed antisemitisme in de hand werkte.

In volle straat, op plein en markt, werden de joden verontrust, lastig gevallen, beledigd, zodat het stadsbestuur in dato van 29 mei 1800 de beledigingen en de mishandelingen van de joden publiek aanklaagde en maatregelen voorzag waarvan “l’exécution (serait faite) de la manière la plus scrupuleuse”. Te Gent interpreteerden heel wat mensen de Franse revolutionaire leuze “Liberté-Egalité” van 1789 op onrustwekkende wijze. Het joodse kerkhof bleef te Gent een bron van twist. De joodse gemeenschap beklaagde er zich over dat haar doden veld buiten de Dampoort misbruikt werd. De katholieke grafdelver kweekte er groenten op. Daar kwam bij dat de joden doorheen het gewijde kerkhof moesten trekken om hun kerkhof te bereiken waarvan de sleutel in handen was van een katholiek. Tenslotte moesten de joodse families, die hun doden wilden ter aarde bestellen, een taks betalen aan de kerkfabrieken van Sint-Baafs, Sint-Jacob en H. Kerst. De joden protesteerden bij d’Houdetot, prefect van het Département de l’Escaut, die op 6 september 1813 aan de maire van de stad een besluit overhandigde waarbij de klachten van de joden gegrond werden bevonden.

Geen sprake meer van een katholieke sleuteldrager, geen taks meer aan de katholieke kerkfabrieken. Mettertijd was het joodse kerkhof te klein geworden om alle lijken te blijven ontvangen. Toen lieten de Israëlieten hun doden overbrengen naar Sint-Gillis bij Brussel, of ook nog naar Nederlands-Brabant. Op 27 mei 1848, verzocht de joodse gemeenschap te Gent haar overleden leden te mogen begraven op het kerkhof buiten de Heuvelpoort, wat haar werd toegestaan. De joodse graven geraakten echter veelvuldig door overstromingen geteisterd. Toen liet de stad in 1855 de joden toe op een hoger gelegen plaats hun doden ter aarde te bestellen. Tien jaar later werden op de kerkhoven buiten de Brugse Poort en de Heuvelpoort gelovigen, andersgelovigen en ongelovigen naast elkander begraven. Het kerkhof buiten de Dampoort werd in 1877 verlaten. Keren we echter even terug tot de tijd van de Franse overheersing. Bij keizerlijk decreet van 17 maart 1808 werd bepaald dat vanaf 1 juli geen jood handel mocht drijven of een winkel houden, tenzij hij een patent had aangevraagd bij de prefect van het Département de l’Escaut. Op 17 augustus deelde Faipoult, prefect van het Département de l’Escaut de maire van de stad Gent dit decreet mede. De Israëlieten die in Gent handel wilden drijven moesten een patent nemen. Zij konden dit slechts verkrijgen na het voorleggen van een schriftelijk bewijsstuk van de conseil municipal, waarbij verklaard werd dat ze geen woekeraars waren of onwettig zaken dreven. Zij moesten tevens kunnen certificeren door middel van een bewijs afgeleverd door het consistorie van hun synagoog dat ze eerlijk waren en van goed gedrag. Met dit patent werd elke Gentse jood ook belastingsbetaler.

Op verzoek van de Gentse maire zond Aron Moyses, opticien van beroep, het stadsbestuur een namenlijst van Gentse joden toe. Aan acht joden, die in regel waren met de voorschriften van 17 maart 1808, werd op 5 oktober patent verleend door de prefect. Overeenkomstig het keizerlijk decreet van 20 juli 1808, uitgevaardigd te Bayonne, werd in oktober van hetzelfde jaar op het stadhuis een register in dubbel aangelegd. Naar het bleek wisselden vele joden nogal gemakkelijk van naam. De reden hiervan is gemakkelijk te gissen. Ze werden allen verplicht een nieuwe voornaam en familienaam te kiezen en aan te nemen, die in bovengemeld register zou worden geboekt. Van oktober tot en met december trokken jodinnen en joden naar het stadhuis voor de registratie van hun nieuwe namen. Zij mochten echter voor familienaam geen naam uit het Oude Testament of de naam van een stad kiezen. Als voornaam werden slechts deze toegelaten, bepaald bij de wet “du 11 germinal an XI”.

In dit bewaarde register, dat werd voortgezet na de val van het Franse keizerrijk (nog in 1826 en 1827 werden nieuwe namen geboekt) staan genoteerd voor 1808 elf namen van joodse mannen en vijf van joodse vrouwen, alsmede de namen van vele kinderen jonger dan tien jaar. Simon Emmanuel, geboren te Brück bij Nürnberg, gaf als nieuwe namen op: Louis Riex, Abraham Levi, geboren te Mannheim, die van Christian Gulden. Aron Moyses, geboren te Bingen, die van Felix Morel. Nathan Cohen, geboren te Freydenburg bij Trier, deze van Jacques Cohen. Lyon Israël, geboren te Mergental werd Felix Rinskopf en zijn vrouw Esther,geboren te Bamberg, werd Cécile Rinskopf. Rosalie David, weduwe van de rabbijn Lazare Polak, verklaarde de naam te dragen van Rosalie Polak. Haar zuster Marianne David, geboren te Parijs, zou zich Marianne Polak noemen. Hartog Levi De Jong, geboren te Amsterdam veranderde zijn naam in deze van Louis Hartog De Jong, Jozef Jacob, geboren te Reinbach noemde zich Nicolas Stokman. Emmanuel Souweine (Scheyner, Schweine?) geboren te Schweinheim in de Elzas en zijn vrouw Adrienne Philippe uit Mulhouse mochten hun namen behouden. Isaac Lob uit Obermelingen heette thans Edouard Hauman, Jacob Izak (Isaac?) geboren te Erfurt, Jacob Herman. Jacob Mayer werd Jacob Mayer Cohen.

Deze joden woonden in geen bepaalde buurt of straat. Ze verbleven op de Ottogracht, de Plottersgracht, de Nederpolder, op de Oude Beestenmarkt, in de Jooremaaie, de Struyvelsteeg, de Minnemansteeg, de Sint-Jansstraat, het Drongenhof en de Citadel. Zoals de joden vaak van naam wisselden veranderden ze even makkelijk van straat. Zo woonde Aron Moyses nu eens in de Waaystraat, dan weer in de Jooremaaiestraat no. 440 en op de Ottogracht no. 397. De meeste joden waren behoeftig en ongeleerd. Ze leefden soms zoals Hartog Levi in een kelder. Sommige joden verbleven reeds meer dan vijftien jaar in de stad. Schier allen kwamen aan hun brood met straatventen, handel in brilleglazen, komfoortjes, linten, verkoop van loterijbriefjes. Twee jodinnen werkten als dienstmeid.

Ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden brachten sommige joden als Israël Van Lier, Hartog Levi en David Van Weenen het tot hoge welstand. Van Weenen en Levi werden juweliers, Van Lier hield een bloeiend handelshuis open. Vele Hollandse joden waren toen (1817) te Gent ingeweken. We noteren de namen van Samuel Moz, Cathérine Godschalck, Juste Bronkhorst, Β. Abraham van Helstadt, Rozalie van Macom, Mayer Jacques Dietenheim, Isaac van Dantzig, B. Salomon Lapinie, Marcus De Vries, Jacques Abas, David Van Weenen. Verder nog de families Jacobson, Isaac, Canter, Symons, Calmer. Om elke naamverwarring te vermijden werden in 1817 nieuwe lijsten van Gentse joden aangelegd. De nieuwe constitutie (23 april 1815) verleende aan iedereen individuele vrijheid, vrijheid van pers, petitie, recht van eigendom, en verschafte bovendien iedereen de mogelijkheid een openbaar ambt uit te oefenen. Dezelfde vrijheden bleven van kracht toen het Koninkrijk België werd opgericht. Voor het eerst is er van een rabbijn sprake te Gent tijdens de Franse overheersing. De man, Lazare Polak, was tevens onderwijzer. Hij had vijf kinderen. De toenmalige Gentse joodse gemeenschap had zich verbonden hem wekelijks 7 fl. 12 sol. Te betalen voor zijn diensten. Maar wegens onenigheid in de gemeenschap streek hij wekelijks maar 1 fl. 8 s. op. Hij overleed vóór 1808 en liet zijn vrouw in grote armoede achter. In 1840 was David Van Praag rabbijn te Gent. Veel later en o.m. van 1913 tot 1931 en wellicht nog later fungeerde J. Hertog als rabbijn of Gents “ministre du culte”.

Wat nu de synagogen zelf betreft, de Gentse Israëlieten hielden, zoals we reeds mededeelden, tijdens het bewind van Keizer Jozef II hun eredienst in de buurt van het Spanjaardenkasteel. Tijdens de Franse, overheersing huurde de Gentse joodse gemeenschap een kamer eerst ten huize van Aron Moyses in de Jooremaaiestraat no. 440, later in de Waaystraat. De gemeenschap raakte echter in onmin en zelfs in proces met Aron Moyses, die beweerde dat de voorwerpen betreffende de eredienst, die zich in zijn kamer bevonden, hem toebehoorden, terwijl de gemeenschap van oordeel was dat die voorwerpen haar bezit, waren. In die tijd was Emmanuel Souweine (Schuyner?) parnas “van de gemeenschap der Israëlieten te Gent”. Toen zij het huis van Aron Moyses hadden verlaten, vergaderden de joodse gelovigen ten huize van Samuel Moz. die woonde in mei 1809 in de Minneman-steeg, en in september 1810 op de Plottersgracht no. 236. Ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden hielden de Gentse joden synagoge in het aloude gasthuis Sint-Jorishof rechtover het stadhuis. In de XXe eeuw kwamen de joden voor hun eredienst bijeen in de Abrahamstraat, in het Notarissenhuis aan de Winkelstraat en veel later in de Vlaanderenstraat. In de Franse tijd waren de joodse gemeenschappen bij keizerlijk decreet bij het consistorie van Krefeld geannekteerd, en dit op verzoek van het “Groot Sanhedrin” of Hoge Raad der Joden.

De Gentse joodse communauteit werd toen verzocht een bijdrage storten aan het consistorie, dat de facto niets deed ten voordele van de morele en spirituele belangen der Israëlieten. Ten tijde van Koning Willem op 13 augustus 1816, werden twee centrale synagogen voorzien, en nl. één te Brussel, waarvan de Gentse kerkgemeente afhankelijk was. Een opperrabbijn werd gekozen door de notabelen van het rabbinaal ressort. De centrale synagoog te Brussel was een tijd gevestigd in een huis “Sint-Elooikapel” genaamd, in de Predikherenstraat. De Gentse gemeenschap droeg toen aan Brussel een bijdrage van 50 fl. af. Als notabele van de Brusselse synagoog fungeerde de Gentse jood Jacques Abas.

Op het einde van de XlXe eeuw, omstreeks 1890, was de joodse gemeenschap samengesteld uit ongeveer honderdtwintig families, die vijftig jaar later waren aangegroeid tot driehonderd gezinnen. De meeste families waren ingeweken. Slechts enkele gezinnen, reeds voor de Eerste Wereldoorlog in de stad gevestigd, wonen nu nog te Gent.

Tot vóór 1940 studeerden heel wat joden, afkomstig uit Roemenië, Polen, Tsjechoslowakije en elders aan de universiteit. Ze waren niet rijk, waar soms twee broeders wensten te studeren, volgde één ervan de lessen aan de hogeschool, op kosten van zijn broer die in de steenkolenmijnen werkte. Het volgende jaar werd de broer-student op zijn beurt mijnwerker. De meesten onder deze studenten werden ingenieur en zwermden daarna de stad uit. Heel wat Gentse joden maakten een goede carrière in de industrie en brachten het zelfs tot bedrijfsleider. Anderen dreven een fleurende handelszaak, werden stadsambtenaars, schoolhoofden, leraars, en zelfs hogeschoolleraars als N. Gunsburg e.a. Velen namen actief en geïnteresseerd deel aan het culturele en gezelschapsleven van de stad. Zij bezochten schouwburgen en bioscopen en woonden concerten en voordrachten bij. Er bestond ook een schaakclub (Het Rode Schaakbord) te Gent, waarvan in grote getale joodse studenten deel uitmaakten, die voor dit intellektuele spel bijzondere begaafdheid aan de dag legden. Joodse en niet-joodse families waren bij elkaar te gast, woonden samen gezellige bijeenkomsten bij, organiseerden samen bridge-avonden. Joodse leerlingen van middelbare scholen bedachten jaarlijks niet-joodse leraars met het traditionele paasbrood, als blijk van genegenheid en waardering. Dit alles bracht mede dat de Israëlieten, zonder daarbij eigen aard en karakter te verliezen, zich in het Gentse milieu opgenomen voelden, en dit dan ook waren.

Reeds opgeschrikt door de rampzalige nazirepressie der joden in Duitsland weken onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog in mei 1940, Gentse e.a. joden uit naar Frankrijk. Enkelen werden aan de grens geblokkeerd. Anderen kwamen in het onbezette Frankrijk terecht en sommigen geraakten zelfs over zee. Tijdens de eerste maanden van de Duitse bezetting konden de joden geloven dat ze niet het voorwerp waren van een particuliere behandeling vanwege de Duitsers. Heel wat gevluchte joden besloten dan ook naar België terug te keren en weer aan het werk te gaan. Dit was dan ook het geval voor de te Gent wonende joden. Gedurende ongeveer vijf maanden schenen de Duitsers geen belang te stellen in het lot der Belgische joden in tegenstelling met de Nederlandse en de Franse joden, tegen wie reeds in juli en september discriminerende maatregelen waren genomen.

Maar in oktober en november 1940 verschenen Duitse “Verordnungen” die nu ook de joden in België in de apartheid stelden. Het begon met de bepaling van het jood-zijn. Was jood diegene die afstamde van drie grootvaders van joods ras. Werd als jood beschouwd gelijk wie die afstamde van twee joodse grootouders die de joodse godsdienst beleden, of degene die gehuwd was met een jodin. In geval van twijfel werd elkeen die tot de joodse eredienst was toegetreden als jood aanzien. Kort nadien werden de Israëlieten verplicht zich in hun woonplaats te laten registreren. Het speciaal register, dat uit fiches bestond, behelsde behalve naam en voornaam van de jood ook zijn geboortedatum, zijn beroep, nationaliteit en religie. Er werd daarin ook melding gemaakt van zijn kinderen jonger dan vijftien jaar. Schier tegelijk werd de identiteitskaart van de jood gemerkt met het woord “jood”. Ongeveer 43000 Israëlieten meldden zich voor registratie aan. Mettertijd verscherpten de “Verordnungen”. Joodse dokters, tandartsen en verplegers mochten alleen nog rasgenoten verzorgen. Een jood kon geen journalist, geen advokaat, geen leraar worden. Joodse houders van restaurants, hotels, winkels en zo meer waren verplicht een affiche met “joodse onderneming” uit te hangen. Alle publieke functies werden de joden ontzegd. In Juli 1942 werden de Gentse e.a. joden opgeroepen om te arbeiden voor de Duitsers in het Oosten. Hetzelfde jaar mochten geen joden meer te Gent verblijven. Ze werden samengetroept te Antwerpen, Brussel en Charleroi.

En alsof de plagerijen, de tergingen, de broodroof nog niet genoeg waren, werden de joden vernederd door het verplicht dragen van de gele ster. Tenslotte begonnen de verraderlijke razzia’s overal. Als reaktie doken heel wat Israëlieten, ook te Gent, onder bij vrienden, die ze op gevaar van eigen leven opnamen. Ook niet Gentse joden als de befaamde Antwerpse componist en virtuoos Alex De Vries en zijn broer David De Vries, journalist en eveneens Antwerpenaar, kregen te Gent tijdelijk bedekt onderdak. Die bescherming werd ten zeerste bemoeilijkt door het van kracht zijnde rantsoeneringssysteem. Alleen de inwoners die op de officiële lijsten voorkwamen werden op geregelde tijden een kaart uitgereikt waarmede ze karige hoeveelheden brood, aardappelen, suiker, vlees, steenkolen en dergelijke konden verkrijgen. De ondergedokenen moesten derhalve gevoed worden met wat de families zichzelf te kort deden of wat ze tegen woekerprijzen op de zwarte markt konden kopen. Spijt koningin Elisabeth uit alle macht bepaalde joden, als bv. diegenen die een gemengd huwelijk hadden aangegaan en kinderen en ouden van dagen onder haar bescherming nam en de monsterachtige deportatie der joden tot het uiterste poogde te vertragen – waarvoor haar nog hulde moet worden gebracht – werden de Gentse e.a. joden ten getale van duizend begin september 1942 weggesleurd naar concentratiekampen als Auschwitz e.a. en uitgemoord.

Van de driehonderd joden die bij het uitbreken van de oorlog te Gent gevestigd waren, konden ongeveer honderdvijftig aan de gruwelijke greep der nazi’s ontsnappen. Na de oorlog hernam het leven voor de joden die aan de slachting waren ontkomen. Bij de te Gent teruggekeerde joden voegden zich tijdelijk ook enkele joden uit Centraal – en Oost – Europa.

In 1970 waren er nog 40.000 joden in België. Twaalf joodse gemeenschappen wo. tien Ashkenazi (genoemd naar Askenaz, kleinzoon van Jafeth, waarmee volgens Joodse overlevering Germanen of Duitsers benoemd zijn) en twee Sephardim (naar het bekende land Sepharad, waarheen joden uit Jeruzalem zouden verdreven worden) werden in het land wettelijk erkend evenals hun eredienst. De Gentse joodse gemeenschap telt heden ten dage ongeveer veertig families,heeft een synagoog in de stad die geleid wordt door een rabbijn. En het leven gaat voort, spijt alle beproevingen, alle smarten, en alle martelingen. En de jood ploegt voort, te Gent als over de hele aarde. Hij blijft gehecht aan zijn Adonaï en gelooft in zijn onverwoestbaar volk, en in een gelijkgerechtigd menswaardig bestaan.

Paul Rogghé

Bijzonderste bronnen

Archives Départementales te Rijsel, Stadsarchief Gent, Rijksarchief Gent en verder de auteurs: Jean Stengers, E. Ouverbeaux, S. Ullman, F. De Potter, P. Claeys, V. Fris, J. Gérard-Libois en José Gotovitch.

Kerkhof

André Capiteyn, “Hoe de Gentse joden aan hun eigen kerkhofje kwamen en hoe ze het weer kwijt raakten” – Ghendtsche Tydinghen, 13(3), 1984, pp. 160-168. (Gepubliceerd op deze pagina met toestemming van de auteur.)

In de lente van het jaar 1786 verdronk er een man in de Schelde. Toen het lijk werd bovengehaald, nabij de Visserij op het grondgebied van de Sint-Baafsheerlijkheid, was het wel al in verregaande staat van ontbinding. Omdat “naer diversche proclamatien niemant het zelve Lichaem erkende nochte reclameerde”, begroef men het zo vlug mogelijk op het kerkhof buiten de Dampoort, sinds 1784 de begraafplaats voor de parochianen van Sint-Baafs, Heilig Kerst en Sint-Jakobs. In de zakken van het slachtoffer had men volgende indrukwekkende lijst voorwerpen aangetroffen : twee koorden, een paar stalen of ijzeren schoengespen, zes brillen, een toetssteen, 21 gulden, 15 stuivers en anderhalve denier, een onbekende zilveren munt, een Duits koperen muntstukje, alsmede “eene verrotten passavant en eene gedrukte Certificatie van het Magistraat der Stad Oostende; verder had hij nog op zich een geschreven document in het Hebreeuws en “andere alhier onverstaanbare talen“.

Toen de akte, met opsomming van alle voorwerpen en documenten, op 18 maart 1786 werd opgesteld, was de man in kwestie niet enkel dood, maar tevens grondig begraven. Het nog intacte zegel met het jaartal 1785 op het Oostends certificaat, liet toe hem met zekerheid te identificeren als “Cossel Levy, van de joodse natie, 74 jaar oud”.

Van oudsher werden joden begraven op de “heydenen kerkhoven “; dat waren aparte hoekjes van ongewijde grond, zover mogelijk van het kerkgebouw verwijderd. Een “heydenen kerkhof” was er bij de Sint-Martinuskerk te Ekkergem, doch wellicht nog bij andere Gentse kerken. Het verbod op een kerkelijke begrafenis en een graf in gewijde grond gold niet enkel voor de joden maar ook voor andere marginalen. In de Synode van Kamerijk (1586) werd het verbod als volgt vastgelegd : “Van de kerkelycke sepulturen worden Depriveert de publique Simonisten, Ketters, Schismatique, Vergifters, Tooveraers, Waerseggers ende Woeckeraers, oock degene die hun selven hun Leven hebben benomen ofte in duel zyn gedoodt ende die hunnen Paeschen niet en hebben gehouden, door wiens Begravinge de gewyde Aerde Ontwydt wordt. De joden werden dus niet bij naam genoemd, doch waar ze in dit lijstje pasten is niet zo heel erg moeilijk te raden.

Met het verdwijnen van de aloude parochiekerkhoven in de steden — na het edict van Jozef II in 1784 — en de oprichting van nieuwe kerkhoven, nog steeds onder het gezag van de parochies, kwam men voor nieuwe problemen te staan. Het edict voorzag immers enkel in een afgezonderde plaats voor de protestanten.

Klaarblijkelijk riep de toevallige bijzetting van de joodse man op het katholieke kerkhof van de Dampoort toch geen al te grote weerstanden op bij de katholieke overheid. Het was immers de joodse natie zelf die, eenmaal ze kennis had genomen van de identiteit van de drenkeling, in actie kwam. Zeer waarschijnlijk was Cossel Levy de eerste dode van de kleine Gentse jodengemeenschap, sinds de nieuwe verordeningen van 1784. Hoe het ook zij, de joodse natie legde zich niet neer bij zijn bijzetting op het katholieke kerkhof en betrachtte zijn ontgraving. De Gentse joden beschikten wellicht zelf over weinig of geen invloed en speelden direct hoog spel : de zaak werd in handen gegeven van de voormannen van de Hollandse en Antwerpse joden. Het ten onrechte — ook voor de joodse religie — op het katholieke kerkhof verzeilde lijk van de drenkeling, werd voor de Gentse joden aanleiding om een eigen kerkhofje te bemachtigen.

De tijdsgeest was de joden toen immers gunstig gezind. De verlichte wind die vijf jaar eerder door keizer Jozef II was aangewakkerd, had ook hen geen windeieren gelegd. Het Tolerantie-edict van 1781, dat vrijheid van geweten en godsdienst proclameerde, kende ook aan de joden bepaalde rechten toe. Hun kinderen mochten school lopen, het soms verplichte kenteken werd afgeschaft en onder bepaalde voorwaarden mochten ze land bewerken, handel drijven of een ambacht uitoefenen. Dan kwam het edict van 26 juni 1784 omtrent de kerkhoven. Ook dit edict — dat in grote lijnen de verwijdering van de bestaande kerkhoven uit de stad en de oprichting van nieuwe begraafplaatsen buiten de steden gelastte — was de joden niet onopgemerkt voorbijgegaan. Voor het verkrijgen van een eigen kerkhof, conform aan hun religieuze voorschrif ten, stelden ze al hun hoop op artikel 21 van het edict, een artikel waarin nochtans met geen woord over de joden werd gerept :

“Daer zal in ieder Kerkhof eene afgescheyde plaetse worden gereserveerd voor de Protestanten om er hunnen Dooden te begraeven, ten ware nochtans dat zy liever hadden van te hebben een bezonder Kerkhof, in welk geval de magistraeten hun ten dien eynde gratis eene plaets zullen aenwyzen buyten de Stad”.

Om de ontgraving van Cossel Levy te verkrijgen, schreef de Maatschappij der Joodse Natie uit ’s Gravenhage, Amsterdam, Rotterdam, “en elders”, twee brieven ondertekend door L. Barendson uit Antwerpen en Joseph Arons uit Amsterdam. De eerste richtten ze aan de bisschop van Gent, monseigneur Ferdinand Marie, prins van Lobkowitz. In die brief werd niet gesproken van het Jozef II-edict. Wel werd de ontgraving van Cossel Levy aangevraagd “om hem te doen begraeven op eene particuliere plaetse, aen te wyzen door Uwe Edele Hoogheyd, plaetse de welke ten allen opzichte afgezondert en vervremt moet zyn van andere kerkhoven, zoo wel Roomsch Katholieke, Lutersche, Calvinistische, also andere.” De Gentse bisschop besteedde blijkbaar niet veel aandacht aan het verzoek om ontgraving, en gaf de joden in feite de vrije hand. Wat hem betrof mochten zij “het cadaver leggen alwaer zy het geradig zullen vinden ” , zo luidde zijn lakoniek antwoord van 27 maart 1786.

Een tweede schrijven was gelijktijdig gericht aan de gezagsdragers — de baljuw en de schepenen — van de Sint-Baafsheerlijkheid, die het Dampoort-kerkhof mede beheerden. Hierin werd wel druk op het Jozef II- edict en artikel 21 gezinspeeld, doch voorzichtigheidshalve werd het niet geciteerd. Ook het antwoord op die brief, ontvangen op dezelfde dag als dit van de bisschop, was positief. De Sint-Baafsheerlijkheid stemde erin toe “dat het cadaver van Cossel Levi zal worden begraven buyten de Dampoorte dezer Stadt, ’t eynden van de afgezonderde plaetse gedestineert voor de gene die niet en zyn van de Roomsche Catholyke Religie”.

Duidelijk blijkt hieruit dat er niet zonder meer toestemming werd verleend voor de aanleg van een apart joods kerkhof. Wel werd het bij artikel 21 voorziene Protestantendeel van het Dampoort-kerkhof voor de joden toegankelijk gesteld.

Laatstgenoemden lieten er geen gras over groeien. Reeds de volgende dag, op 28 maart 1786, werd Cossel Levy door zijn geloofsgenoten ontgraven en opnieuw bijgezet op “het ghereformeert kerkhof”. In hoeverre de joden erin slaagden dit afgezonderde hoekje van meetaf aan exclusief aan hun groep voor te behouden, valt op basis van de beschikbare bronnen niet te achterhalen. Toch zou het stukje grond mettertijd de facto tot een specifiek joods plekje uitgroeien. Het kan zelfs worden betwijfeld of er ooit protestanten werden begraven, ofschoon het steeds “het ghereformeert kerkhof werd genoemd. Een echt volwaardig kerk hof kon men dit hoekje moeilijk noemen. Het mat slechts 9 op 7,5 meter , palend aan de westkant van het eigenlijke Dampoort-kerkhof, rechts van de toegang.

Uit de eerste fase, ruwweg de eerste tien jaren, van het kerkhof zijn geen verdere gegevens beschikbaar, noch van joodse noch van enige andere bijzettingen. De enig bewaarde historische bron zijn de rekeningen uit de jaren 1798 tot 1806 waarin de namen van de doden uit die jaren staan. Daaruit blijkt dat er in die uiterst beperkte periode, drie volwassen joden en twee joodse kinderen werden begraven.

In de jaren 1798 tot 1801 vinden we volgende bijzonderheden :

  • Rosy Anne, dochter van Salomon, jodin overleden in de Sint-Jansstraat recht over de “schermschole”; 5 s. en 10 gro. betaald door ” de hoirs par moderatie “.
  • 5 s. gro. betaald aan Joris De Kleermaecker, grafmaker, voor de begrafenis van een joods kind door een jood.
  • 5 s . gro. betaald door Samuel Jacob, jood, voor de begrafenis van zijn kind “op het ghereformeert kerkhof”.

En voor de daaropvolgende jaren van 1802 tot 1806 :

  • De Meyer Bordus, zoon van Abraham Levi; 7 s. gro. betaald door Isaac Benjamin, jood, wonend in de “Sint-Jansstraete” in een achterhuis van Sint-Jorishof, uitkomend op de Hoogpoort, voor de weduwe en de hoirs van De Meyer Bordus, aldaar ook overleden, “voor het sepulture rechte en begraafplaats op het ghereformeert kerkhof, par moderatie, door reden van armoedige staat.
  • Moyses Jacob, jood, overleden op de “peirdekauter” ten huize van de heer Lefevre, herbergier achter het klein vleeshuis; 7 s. gro. betaald door zijn vrouw.

In diezelfde jaren begonnen de problemen op het kerkhof, problemen die te situeren zijn in een nieuwe golf van jodenvervolging. De recent verworven vrijheden onder het Oostenrijks bewind, werden door de katholieken slecht onthaald. Met de val van het Oostenrijks regime en de komst van het Franse revolutionaire bewind, stak een hernieuwd antisemitisme de kop op.

In 1798 vroeg Moyses Aron in naam van de joodse natie aan het Gentse stadsbestuur toestemming om het Israëlitisch hoekje te laten ommuren, teneinde het tegen profanaties te beschermen. Hieruit blijkt alvast dat de joden het westhoekje van het Dampoort-kerkhof helemaal als hun eigen begraafplaats waren gaan beschouwen. In haar antwoord spreekt zelfs het stadsbestuur van “een terrein dat hen als begraafplaats was toegekend”, doch het verzoek wordt afgewezen, met als verklaring : “la constitution ne reconnaît aucun culte dominant ni aucun privilège ” . Toch moet die ommuring weinige jaren later uitgevoerd zijn, zoals uit het verloop der feiten blijkt.

Mettertijd hadden de joden op hun kerkhofje zekere “privileges ” weten te verwerven. Zo mochten ze er zelf toezicht op uitoefenen en konden ze de katholieke grafmaker van hun territorium weren; die mocht er uiteraard geen katholieken begraven, en evenmin mocht hij er zaaien, oogsten of fruit plukken. Mogen wij hieruit besluiten dat die activiteiten op de gewijde kerkhoven wel getolereerd werden, als hoven in de volle zin van het woord ? In de revolutionaire jaren bleef er van die faciliteiten nog maar weinig over. De joodse natie bekloeg zich zelfs over misbruiken. Volgens hen kweekte de grafdelver groenten op hun terrein. Daarbij kwam nog dat ze door het gewijde kerkhof moesten trekken om hun plekje te bereiken waarvan de sleutel aan een katholiek was toevertrouwd. Tenslotte moesten ze voor elke bijzetting een taks betalen aan de kerkfabrieken van Sint-Baafs, Sint-Jakobs en Heilig Kerst. Toch werden er in die woelige jaren nog steeds joden op “het ghereformeert kerkhof” begraven, naar blijkt uit de rekeningen. Met de machtsovername door Napoleon konden de joden weer op een meer verdraagzame houding, althans van rechtswege, rekenen.

In 1805 beriep Moyses Aron zich op een decreet van Napoleon om de teruggave te eisen van het Israëlitisch kerkhofje. Artikel 15 van dit decreet van 23 prairial an XII, stipuleerde dat “dans les communes où l’on professe plusieurs cultes, chaque culte doit avoir un lieu d’inhumation particulière et dans le cas qu’il n ‘y aurait qu’un cimetière on le partagera par des murs, haies ou fossés”.

Met zijn verzoek wou Moyses Aron voor zijn geloofsgenoten terug volledige zeggenschap over het kerkhofje verwerven, na de woelige vroegste jaren van het Frans bewind. Daarom vroeg hij aan de maire zelf de sleutel van de toegang te mogen bijhouden, om aldus niet langer af te hangen van het gewijde kerkhof en de katholieke grafmaker. Dit verzoek werd door maire della Faille ingewilligd. Meteen werd ook een eind gesteld aan de taksverplichting ten overstaan van de kerkfabrieken. Het stadsbestuur kon dus moeilijk van tegenwerking beschuldigd worden. Anders lag het bij de kerkbesturen. Die zagen zich in de uitoefening van hun eeuwenoud gezag over de grafgebruiken voor het eerst gedwarsboomd door de eigen tradities van de joden. De aparte sleutel werd al spoedig een bron van twist. Het was echter vooral het typisch joods verbod op het hergebruiken van grafpercelen dat de joden parten zou spelen. Volgens de joodse religie mag een bestaand graf onder geen enkel voorwendsel ooit verstoord worden. Daarom kan een graf nooit worden opgeruimd voor een nieuwe bijzetting. Op katholieke begraafplaatsen daarentegen is het opruimen van oude graven om plaats te maken voor nieuwe, steeds een courante zaak geweest.

Op het joods kerkhofje leidde dit voorschrift, ondanks het gering aantal begrafenissen, bijgevolg al spoedig tot plaatsgebrek. Een bijzondere “diaspora”-oplossing voor dit plaatsprobleem — dat zich natuurlijk niet alleen te Gent stelde — bestond erin het kerkhof op te hogen met aangevoerde aarde en aldus op een tweede niveau opnieuw te begraven, zonder aan de oudere, onderliggende graven te raken. Het spectaculairste voorbeeld daarvan bevindt zich te Praag, waar op het joods kerkhof in de loop der eeuwen (sinds 1439) niet minder dan twaalf opeenvolgende lagen werden aangelegd, een opeenhoping van 12.000 graf stenen.

In 1835 was de toestand voor de Gentse joden dusdanig acuut dat er “bij onverhoopt sterfgeval geen plaats ter begraving van betrokkene lijk zoude gevonden worden”. Hun gemeenschap telde toen precies 119 zielen .

Al in 1827 hadden ze van het stadsbestuur de toestemming gekregen om hun perceel met aarde op te hogen. Toen was zelfs afgesproken om voor dit doel grond te gebruiken uit het voormalig Spanjaardkasteel, daar waar de vroegere Sint-Baafsabdij stond.

In 1834 begonnen ze aan de bouw van een scheidingsmuur om de voorziene verhoogwerken te kunnen uitvoeren. Ondertussen groeide het verzet van de drie kerkfabrieken — Sint-Baafs, Sint-Jakobs en Sint-Salvator — die zich nooit met het plan akkoord hadden verklaard. De meest gematigde katholieken voelden enkel iets voor de ophoging van het midden van het kerkhof tot een soort heuveltje. De anderen wilden van gans het plan niets weten. Uiteindelijk kwam er helemaal niets van terecht. Sterker nog, de kerkfabrieken sloopten een deel van de scheidingsmuur, maakten een doorgang van het gewijde naar het joodse kerkhof en begonnen er dienstgebouwen op te trekken. De joden spanden onverwijld een proces tegen hen in. Ze wonnen dit proces voor de vrederechter, doch verloren het voor de rechtbank van eerste aanleg. Daarmee was hun lot op het Dampoort-kerkhof bezegeld en rond 1840 kwam er een definitief eind aan alle joodse bijzettingen aldaar. Noodgedwongen voerden ze hun doden nadien naar het Israëlitisch kerkhof van Sint-Gillis te Brussel, terwijl ze alles in het werk stelden om een nieuwe begraafplaats toegewezen te krijgen. In 1848 stelde het Gentse stadsbestuur opnieuw een apart terrein ter beschikking. Het was gelegen op het thans nog bestaande kerkhof buiten de Heuvelpoort aan de Ottergemse Dries. Dit perceel, dat behoorlijk groot was (38 op 10 m ) , had echter veel te lijden van grondwater. In 1855 werd hen daarom een nieuwe en hoger gelegen plaats toegewezen met dezelfde afmetingen, rechts van de toegang. Er waren echter een aantal voorwaarden aan verbonden : alleen Gentse joden mochten er begraven worden, het terrein bleef eigendom van de stad en de joden moesten op eigen kosten een afsluitmuur bouwen. Uiteindelijk was het evenwel de stad zelf die — uit joodse onwil of onvermogen ? — de kosten voor die muur op zich nam.

Kort na de openstelling van de nieuwe gemeentelijke begraafplaats aan de Palinghuizen (Brugse poort), werd ook aan dit joods plekje een eind gesteld. Sind 1874 kon de geloofsovertuiging immers niet langer ingeroepen worden voor het verkrijgen van een aparte begraafplaats.

Wat bleef er bewaard van die aparte joodse begraafplekjes te Gent ? Helemaal niets.

Het Dampoortkerkhof werd in 1877 gesloten. Kort daarop werd de Wasstraat door het in onbruik geraakte kerkhof doorgetrokken, en vijf jaar later verrees er een nieuwe Stedelijke School. Schoolcomplex, zwembad en speelplein beslaan thans het ganse kerkhofperceel. De oude begraafplaats van de Heuvelpoort, aan de Ottergemsesteenweg, is vandaag nog steeds als Zuiderbegraafplaats in gebruik. Ook daar zal men echter tevergeefs nog naar een overblijfsel van de kortstondige joodse aanwezigheid zoeken.

André CAPITEYN

Bronnen

Den Vlaemschen Indicateur. Gent, 1786, deel 15, pp. 213-217.

P. CLAEYS, L’Antisémitisme à Gand en 1800, in Messager des Sciences Historiques, 1894, pp. 369-372.

P. ROGGHE, De joden en hun geschiedenis te Gent, in Ghendtsche Tydinghen, 1973, nr. 3 pp. 51-61

Rekeningen van het Dampoort-kerkhof te Gent 1797-1806. Gent, Stadsarchief, 1981

A. CAPITEYN & J. DECAVELE, In Steen en Brons van Leven en Dood. Inventaris van de waardevolle grafmonumenten en portretgalerij van verdienstelijke personen rustend op de begraafplaatsen van de Stad Gent. Gent, 1981.

Bibliografie

Publicaties

Websites en blogs

Chronologie Joden in Gent

1125De joden worden uit Gent verbannen door Karel de Goede, die ze mede verantwoordelijk acht voor de heersende hongersnood (volgens de Jewish Encyclopedia).
1279Joden, die waarschijnlijk uit Frankrijk waren ingeweken, worden voor het eerst met naam in Gent vermeld: Jacob Moyses en zijn broer Isaac l’Usurier. Zij krijgen van de Graaf van Vlaanderen een verblijfsvergunning onder voorwaarden voor een termijn van zes jaar. Ze morgen zich vestigen in de Sint-Michielsparochie en handel drijven, evenwel zonder aan woeker te doen.
1280Vermelding in de stadsrekeningen van ene Willem de Joede (Willem de Juede) en Soy de Joede, die pachter wordt van de Vismarkt.
1301-1302Willem de Joede is voorschepen van Gent. In 1322 en de periode 1327-1330 is er in de rekeningen opnieuw sprake van Willem de Juede en in 1365 en 1367 staat hij genoteerd als schepen van gedele. Nog in de 14de eeuw in de stadsrekeningen terug te vinden: Jehan fil Sohiers (door de stad voor woeker beboet), Merin sJoden (gestraft voor vechten), Jan en Rombout de Juede, Pauwels de Juede (schepen van gedele) en Jacob de Juede. Wellicht hadden sommigen van hen zich laten kerstenen om zich te beschermen tegen mogelijke vervolgingen die hun beroep konden opleveren, om het Gents poortersrecht te verwerven of om een stadsambt te bekleden.
1335-1336De stadsrekeningen vermelden dat ene broeder Jan “de camp vacht jegen den Juede”, waarvoor de staf hem een vergoeding van tien pond toekent.
1349Een stadsmagistraat “dingde om de jueden” (= sprak recht).
1441-1501Lombarden hebben het monopolie om pandhuizen open te houden in Gent.
1435-1440Jan van Sicleer, misschien van joodse afkomst, maar bekeerd, verwerft rijkdom en invloed in de stad. Hij bekleedt verschillende malen een stadsambt: schepen van de Keure, stadsontvanger-boekhouder, deken der goudsmeden, overdeken en stadskiezer.
1445Simon, de broer van Jan van Sicleer, wordt schepen van gedele
1469Voornoemde of een andere Jan van Sycleer wordt vermeld als solliciteur van de abt van Sint-Baafs
1526Karel V laat bij ordonnantie toe dat marranen uit Portugal door de Nederlanden mogen reizen of er zich vestigen. Dit privilege wordt herhaald en bevestigd in 1536. Het is niet bekend of marranen zich te Gent vestigen.
1549Karel V vaardigt te Gent een plakkaat uit waarbij het voorrecht voor de marranen wordt afgeschaft. Alle nieuwe christenen die sinds zes jaar in den lande gevestigd zijn moeten met familie en bezit binnen de maand de Nederlanden verlaten “op peyne van confiscatie van lijfve ende goet”.
1550Karel V scherpt het plakkaat van 1549 nog verder aan: alle nieuwe christenen, zelfs zij die niet in Portugal hadden geleefd, dienen de Nederlanden te verlaten.
1554Lievin van Sycleer, heer van Gottem, wordt Gents schepen en in 1557 ontvanger-boekhouder.
1596Er is sprake van een huis genaamd “Juedenburch” in de Donkersteeg. Er wordt ook melding gemaakt van een “Juedenvierne” te Gent.
17de eeuwResolutieboeken van de Staten van Vlaanderen vermelden ene Jacob de Jode, koopman-geldschieter te Gent. Ook vermeld: Adriaan de Jode, leverancier van geneesmiddelen.
1687Vermelding van het bestaan van een jodenstraatje te Gent.
1696Vermelding van een jodenstraatje in de Sint-Niklaasparochie.
1724De raad van het stadsbestuur beslist op 23 september dat de joden voortaan als volgt de eed afleggen: blootsvoets moeten ze zweren op de Pentateuch (boeken van Mozes), waarvan ze voorzien moeten zijn, door de rechterhand “tot aende cneuckels” te plaatsen op he woord “Lo tissa” (Exodus XX, 7) en daarbij de volgende formule uit te spreken: In der saecken, daer in ick ghevraeght worde, wil ick de waerheyt seggen ; alsoo sweere ick dat mij helpe Godt, die hemel ende aerde, bergh ende dal, loof en gras geschapen heeft, daer het niet was; ende in ghevalle ick onrecht sweere, dat peck ende solfer op mij reghene.
1756De Oostenrijkse gouverneur-generaal Karel van Lorreinen verwijt het Gentse stadsbestuur te gemakkelijk toe te laten dat joden de stad aandoen of er komen wonen. Voortaan dient elke jood jaarlijks een speciale taks van 1500 fl. te betalen. Wie deze belasting, die in de eerste plaats de arme jood treft, niet kan opbrengen, mag niet langer dan tweemaal vierentwintig uur in Gent verblijven. De Gentse en ook andere magistraten blijken echter niet gehaast het decreet van 20 november uit te voeren, zodat de gouverneur verplicht is zijn bevel te herhalen op 14 juni 1757. De oppositie tegen de maatregelen blijft echter aanduren en de ordonnantie wordt niet naar de letter toegepast.
1767-1793Vermelding van een jodenstraatje of sacramentstraatje aan de Veldstraat.
1781Tolerantie-edict van Jozef II dat bepaalde rechten aan de joden toekent: hun kinderen mogen naar school gaan, ze moeten geen bijzonder kenteken meer dragen zoals dat soms hier en daar vereist is, ze mogen land bebouwen, handel drijven of een ambacht uitoefenen.
1786De joden moeten in het bezit zijn van een wettelijke geschreven akte van “poorterije en civiliteit” die jaarlijks moet vernieuwd worden. Enkele joden, gevestigd in Sint-Antoon aan de Oude Beestenmarkt, gebruiken in de buurt van het Spanjaardskasteel een Kamer voor synagoog.
1786Met Jozef II krijgen de Gentse joden een rustplaats van ongeveer negen meter op zeven en een halve meter, palend aan het nieuwe kerkhof aan de Wasstraat. Een passant in Gent, Cosel Levy of Geschlinck zoon van R . Loew of Leib is de eerste jood die er begraven wordt. Eerst begraven op het nieuwe kerkhof, wordt hij echter op verzoek van zijn geloofsgenoten en na besluit van het stadscollege van 28 maart, ontgraven en overgebracht “t eynden van de afgezonderde plaetse gedestineert voor degene die niet en zijn van de roomse catholycke religie”. Dit in toepassing van art. 2 van de keizerlijke verordening van 26 april 1784 aangaande het begraven.
1798Citoyen Moyses Aron, brillenslijper van beroep afkomstig uit Bingen (Duitsland), verzoekt het Gentse stadsbestuur de joodse rustplaats aan de Wasstraat te laten ommuren om het tegen profanatie te beschermen. Het stadsbestuur wimpelt het verzoek af: “la constitution ne reconnaît aucun culte dominant ni aucun privilège”.
1789De Elzasser Samuel Jacob Meyer (afkomstig uit Westhoffen) installeert zich te Gent met zijn echtgenote Catherine Godchaud. Tussen 1799 en 1813 krijgen zij 5 kinderen, van wie Pauline (1812-1893) zal trouwen met de Gentenaar Jean Victor Rinskopf.
1796De Gentse Dina Jacob, getrouwd met Picard Caudechaud, leider van een beruchte dievenbende, laat zich door de politie overhalen om de bende van haar man aan te klagen. Haar verklaringen laten de politie toe om een aantal bendes in kaart te brengen die de regio Keulen-Parijs in de periode 1795-1796 onveilig maken. Ze doet dit omdat ze het slechte leven van haar echtgenoot moe is en handelt, naar eigen zeggen, “par souci du bien public”. [s].
1797De Elzasser Emmanuel Israël Chweiner vestigt zich te Gent na omzwervingen in Brussel, Luik en Duinkerken. Drie van zijn zes kinderen worden in Gent geboren.
1800Naar aanleiding van aanhoudende pesterijen en beledigingen, voorziet het stadsbestuur op 29 mei maatregelen “de la manière la plus scrupuleuse” zullen uitgevoerd worden.
1802Op 27 prairal an dix informeert het politiecommissariaat van de section de l’Egalité dat meerdere joden in Gent het bestaan bevestigen van een synagoge waar men zich enkel op vrijdag en zaterdag verzamelt (“hors de ces jours, on les trouve à peine chez eux”). Het adres is Joremaaie nr. 443. “Outre cela, la déclaration de soumission à la loi qu’ont faite plusieurs ministres du culte juif, peut encore prouver l’existence d’une synagogue.” In een andere brief gedateerd 6 messidor an dix meldt Aaron Moyses aan de citoyen maire dat hij samen met zijn geloofsgenoten een plek binnen zijn woning aan de Joremaaie nr. 440 heeft gekozen als synagoge.
1805De brillenslijper Israël Lion (wellicht geboren in Marienthal, regio Hessen in Duitsland) – later Israël Rinskopf – installeert zich te Gent met zijn echtgenote en meerdere kinderen.

Moyses Aron beroept zich op een decreet van Napoleon om de teruggave te eisen van het Israëlitisch kerkhofje. Artikel 15 van dit decreet van 23 prairial an XII, stipuleert dat “dans les communes où l’on professe plusieurs cultes , chaque culte doit avoir un lieu d’inhumation particulière et dans le cas qu’il n’y aurait qu’un cimetière on le partagera par des murs, haies ou fossés“.

1806We tellen we een zestiental geregistreerde joodse families in Gent.
1806We tellen we een zestiental geregistreerde joodse families in Gent.
1807Emanuel Chweiner schrijft aan burgemeester della Faille in naam van de joodse gemeenschap.
1808Een keizerlijk decreet van 17 maart 1808 bepaalt dat vanaf 1 juli geen jood handel mag drijven of een winkel houden, tenzij hij een patent heeft aangevraagd bij de prefect van het Scheldedepartement. Op 17 augustus deelt prefect Faipoult de burgemeester van de stad Gent dit decreet mee. De joden kunnen het patent slechts verkrijgen na het voorleggen van een schriftelijk bewijsstuk van de gemeenteraad, waarbij verklaard werd dat ze geen woekeraars zijn of er onwettige activiteiten op na houden. Met een bewijs afgeleverd door het consistorie van hun synagoog, moeten ze tevens kunnen aantonen dat ze eerlijk en van goed gedrag zijn. Met dit patent wordt elke Gentse jood ook belastingsbetaler.

Op verzoek van de Gentse burgemeester zendt Aron Moyses het stadsbestuur een namenlijst van Gentse joden toe. Aan acht joden wordt op 5 oktober een patent verleend door de prefect.

De overzichtstabel (15/04/1808, 09/05/1808, 04/05/1808) van de joden woonachtig in de secties “Réunion”, “Liberté” en “Egalité” van de stad vermeldt de volgende namen:

  • Nathan Cohen, 55 jaar, colporteur
  • Cathérine Abraham, 47 jaar, zijn echtgenote
  • Abraham Levi, 65 jaar, marchand ambulant
  • Aaron Moyses, 36 jaar, marchand lunettier
  • Thérèse Hirsch, 26 jaar, zijn echtgenote
  • Simon Emanuel, 38 jaar, colporteur
  • Brandle Moyses, 30 jaar, zijn vrouw
  • Hartog Levi de Jong, 41 jaar, colporteur, “indigent, habite dans une cave”
  • Hester Isaac, 35 jaar, zijn vrouw
  • Isaac Lob, 31 jaar, marchand ambulant, gevangene in Doornik, zijn vrouw is afwezig uit de stad
  • Adelaïde Hirsch, 18 jaar, zijn vrouw
  • Samuel Jacob, 39 jaar, marchand ambulant
  • Cathérine Godiau, 27 jaar, zijn vrouw
  • Lion Israel, 44 jaar, colporteur, wonende aan de citadelle, “indigent, ne paye aucune contribution”
  • Esther Chatel, 28 jaar, zijn vrouw, dagarbeidster
  • Rosalie Israel, 8 jaar, zijn dochter
  • Chatel Israel, 9 jaar, zijn zoon
  • Sara Israel, 4 jaar, zijn dochter
  • Emanuel Schweiner, 53 jaar, colporteur, houder van een patent
  • Adrienne Philip, 40 jaar, zijn vrouw
  • Lazare Polak, 48 jaar, onderwijzer, “indigent, ne paye aucune contribution”
  • Rosalie David, 27 jaar, zijn vrouw, dagarbeidster
  • Jacob Isaac, 37 jaar, colporteur, Joremaaie, houder van een patent
  • Cathérine Israel, 34 jaar, zijn vrouw

Overeenkomstig het keizerlijk decreet van 20 juli uitgevaardigd te Bayonne, legt de stad Gent in oktober een namenregister van de Gentse joden aan. Overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, worden zij verplicht een nieuwe voornaam en familienaam te kiezen en aan te nemen, die in het nieuwe register worden geboekt. De lijst moet op bevel van prefect Faipoult de volgende elementen bevatten: naam, voornaam, leeftijd, beroep, het bedrag van hun bijdragen en of ze een religieuze functie uitoefenen (groot-rabbijn of rabbijn) dan wel leek zijn. Van oktober tot en met december trekken de Gentse joodse burgers naar het stadhuis voor de registratie van hun ‘nieuwe’ namen. Zij mogen hierbij geen naam uit het Oude Testament of de naam van een stad kiezen. Als voornaam worden slechts deze toegelaten die voorzien zijn in de wet van 11 germinal jaar XI.

Een aantal voorbeelden van dergelijke naamsveranderingen:

  • Samuel Jacob Meyer kiest voor de naamsverandering van Meyer in May
  • De familie Chweiner verandert haar naam in Souweine
  • Israël Lion, die koppig weigert om zijn naam te veranderen, krijgt van de Gentse burgemeester uiteindelijk een naam die overeenstemt met zijn aard: Rinskopf
  • Moyse Aron wordt Felix Morel

In het register, dat wordt voortgezet na de val van het Franse keizerrijk (nog in 1826 en 1827 worden nieuwe namen geboekt) vinden we voor het jaar 1808 16 namen van volswassenen en de namen van vele kinderen jonger dan tien jaar.

Samuel Jacob Meyer leidt de kleine joodse gemeente in Gent met Lazare Polak als rabbijn. De synagoog bevindt zich in het huis van May. Polak sterft echter datzelfde jaar en laat een zwangere vrouw met vijf kinderen in grote armoede achter.

1809Em. Souweine verklaart schriftelijk aan het stadsbestuur dat de synagoge die eerst was ondergebracht bij Aron Moyses in de Waaistraat, zich nu in de Minnemanssteeg bevindt.
1810Em. Souweine verklaart schriftelijk aan het stadsbestuur dat de synagoge werd ondergebracht bij Samuel May, Plotersgracht 236.
1812Vermelding van een jodenstraatje aan de huidige Gouvernementstraat.
1813Joodse burgers klagen over de toestand van hun kerkhofje bij d’Houdetot, departementsprefect. In een officieel schrijven van 6 september aan de Gentse burgemeester worden de klachten gegrond bevonden: er is geen katholieke sleuteldrager meer nodig om toegang te krijgen tot het begraafplaatsje en de joden moeten bij begrafenissen geen taks meer betalen aan de katholieke kerkfabrieken.
1814Félix Rinskopf, inmiddels handelaar in zijden stoffen, overlijdt te Gent. Zijn zoon Napoléon Rinskopf maakt snel fortuin met zijn “fabrique de cirage”. Deze “empereur du cirage” kan hiermee zijn hele familie doen leven en opent eerst een filiaal in Brussel en vervolgens zelfs een in Parijs.
1815De nieuwe grondwet van 23 april verleent aan iedereen individuele vrijheid, vrijheid van pers, petitie, recht van eigendom, en verschaft iedereen de mogelijkheid een openbaar ambt uit te oefenen.

Sommige joden als Israël Van Lier, Hartog Levi en David Van Weenen brengen het tot hoge welstand: Van Weenen en Levi zijn juweliers, Van Lier houdt een bloeiend handelshuis open. Een aantal Hollandse joden komen zich in de bloeiende industriestad Gent vestigen.

De Amsterdammer Hartog Levi Marchand installeert zich te Gent, gevolgd door zijn echtgenote Duyfje Cantor en hun zes zonen onder wie de oudste, Hartog Levi (°1807). In 1816 staat hij genoteerd als “débitant de billets de loterie”. Zijn broer doet hetzelfde in Antwerpen. Vervolgens bouwt hij, wellicht in samenwerking met zijn broer, een lucratieve handel uit in edelstenen. Hij zou evenwel niet lang in Gent gebleven zijn en overlijdt in 1821 in Amsterdam. Zijn kinderen zijn wellicht met hem naar Amsterdam teruggekeerd, maar enkelen komen blijkbaar later terug naar Gent, aangezien de oudste zoon, Hartog Levi in 1855 opgeschreven staat als wonende met zijn familie in de Vrouwenbroersstraat. Hij is er handelaar en diamantair.

1816Er worden twee centrale synagogen voorzien in de zuidelijke Nederlanden, waarvan een te Brussel. De Gentse kerkgemeente hangt af van deze te Brussel en draagt een bijdrage van 50 fl. af. Als notabele van de Brusselse synagoog fungeert de Gentse jood Jacques Abas.
1818De Gentse joodse gemeenschap wordt bestuurd door Max Lubliner (voorzitter), Arnold Cohn (secretaris-penningmeester), Benjamin Segall en J.-B. Elze. S. Joseph is rabbijn.
1817Er zijn zo’n 106 joden gerecenseerd in Gent, van wie blijkbaar 76 zijn aangekomen sinds 1815.
1827De Gentse joden krijgen van het stadsbestuur de toestemming om hun perceel dat dient als begraafplaats met aarde op te hogen. Daarvoor zal grond gebruikt worden uit het voormalig Spanjaardkasteel.
1829De politiecommissaris van de Zuidwijk meldt op 25/01 dat er binnen zijn wijk slechts één jood woonachtig is: een zekere Moyse Spanier wonende aan de Huidevettershoek nr. 2.
1832Op 24/05 vraagt de Gouverneur aan de stad hem een stand van zaken te geven over de joodse bevolking en uit te zoeken of er een synagoog is, een gratis school en andere weldadigheidsinstellingen, alsook wie de parnas of het hoofd van de synagoge is. De stad antwoordt dat er 101 joodse burgers zijn met David Van Praag als rabbijn. Er zijn geen gratis scholen, wel een synagoge.
1834 De gemeenschap telt 115 zielen (stad aan Gouverneur, 11/11/1834). Hun kosten voor religie bedragen 500 à 600 frank, maar de gemeenschap zou een subsidie moeten krijgen om achterstallige bedragen voor 1831, 1832 en 1833 ten belope van 1025 fr. te kunnen betalen voor de huur van een gebedsruimte en de bedienaar van de eredienst/”coupeur de viande”. Notaris De Clercq is schuldeiser van een groot stuk van deze bedragen voor de huur van het huis.

Op haar kerkhofje begint de joodse gemeenschap aan de bouw van een scheidingsmuur om de voorziene verhoogwerken te kunnen uitvoeren. Ondertussen groeit het verzet van de drie kerkfabrieken (Sint-Baafs, Sint-Jacobs en Sint-Salvator) die zich nooit met het plan akkoord hadden verklaard. Uiteindelijk komt er helemaal niets terecht van de geplande werken: de kerkfabrieken slopen een deel van de scheidingsmuur, maken een doorgang van het gewijde naar het joodse kerkhof en beginnen er dienstgebouwen op te trekken. De joden spannen onverwijld een proces tegen hen in dat ze winnen voor de vrederechter, maar verliezen voor de rechtbank van eerste aanleg. Daarmee is hun lot op het Dampoort-kerkhof bezegeld en rond 1840 komt er een definitief eind aan alle joodse bijzettingen aldaar. Noodgedwongen voeren ze hun doden nadien naar het Israëlitisch kerkhof van Sint-Gillis te Brussel, terwijl ze alles in het werk stellen om een nieuwe begraafplaats toegewezen te krijgen.

1835De gemeenschap telt precies 119 zielen. De synagoge bevindt zich in de rue des Vergers nr. 25.

De toestand op het kerkhofje voor de Gentse joden wordt dusdanig acuut dat er “bij onverhoopt sterfgeval geen plaats ter begraving van betrokkene lijk zoude gevonden worden .”

Een K.B. nr. 263 van 18 maart verleent aan de Gentse rabbijn David Van Praag een tegemoetkoming van 200 fr. voor zijn optreden als aalmoezenier voor de gevangenen “de culte israélite” in de gevangenis van de stad Gent [s].

1837Napoléon Rinskopf trouwt met Nathalie Florentine Souweine, kleindochter van Emmanuel Souweine
1840De stad telt 29 joodse huishoudens waarvan 57 mannen, 58 vrouwen, 68 +20-jarigen en 47 -20-jarigen. Op 23/07/1840 schrijft de stad aan de Gouverneur dat de rabbijn (David Van Praag) voldoende betoelaagd is om te overleven, aangezien hij ook inkomsten heeft voor het versnijden van vlees, het doden van gevogelte, het onderwijs van kinderen en buitengewone religieuze activiteiten. Het stadsbestuur geeft een stand van zaken aan de Gouverneur m.b.t. de inkomsten van de rabbijn:

  • Hij krijgt 650 à 660 fr. per jaar voor het versnijden van vlees (berekend op 2 ct. per kilo, 4 à 6 kilo per week maal 16 huishoudens)
  • Per week krijgt hij gratis 2 kilo vlees van de slager (= 119,80 fr.)
  • 42 fr. als salaris voor de eredienst in de synagoge
  • 35 fr. toelagen van de gemeenschap
  • 350 à 360 fr. voor onderwijs aan 14-16 kinderen (= 2 fr. per gezinshoofd en per maand)
  • 10 ct. per stuk voor het religieus versnijden van gevogelte
1841De Gentse rabbijn krijgt bij K.B. van 31/10/1841 een toelage van 400 francs (ministerie van justitie, erediensten).
1846Volgens de stad bestaat de joodse gemeenschap uit 120 personen, tegenover 400 protestanten.
1848Op 27 mei verzoekt de joodse gemeenschap haar overleden leden te mogen begraven op een perceel van 380 m2 op het kerkhof buiten de Heuvelpoort (Ottergemse Dries, nog steeds in gebruik), hetgeen wordt toegestaan. De joodse graven raken echter veelvuldig door overstromingen geteisterd.
1849Volgens de stad bestaat de gemeenschap uit 130 personen.
1855Omwille van de overlast met het grondwater, wordt de joden voor hun begraafplaats een nieuwe en hoger gelegen plaats toegewezen met dezelfde afmetingen, rechts van de toegang. Alleen Gentse joden mogen er begraven worden, het terrein blijft eigendom van de stad en de joden moeten op eigen kosten een afsluitmuur bouwen. Uiteindelijk is het evenwel de stad zelf die (uit joodse onwil of onvermogen?) de kosten voor die muur op zich neemt.
1857Feuilletonist Constant Guéroult publiceert Le Juif de Gand bij uitgever De Potter. Het fictieve verhaal draait rond een Joodse gemeenschap in Gent en verkent hun leven in een tijd van spanningen en wantrouwen. Centraal staat een Joodse figuur (de ‘Jood van Gent’) die geconfronteerd wordt met religieuze en sociale conflicten tussen christenen en Joden, vooroordelen en vervolging die Joodse gemeenschappen historisch hebben meegemaakt, morele dilemma’s en identiteit en vooral hoe iemand trouw blijft aan zijn geloof en cultuur in een vijandige omgeving.
1872Een zekere Mosoel (Mossel?) is rabbijn te Gent, maar schrijft zich op 07/05/1872 uit bij de stadsadministratie met als bestemming Londen. Op 05/07/1872 wordt plaatsvervangend Philippe Goldstein benoemd, wonende in Drongenhof nr.3 (rue du Bac). Napoléon Rinskopf is op dat moment voorzitter van de gemeenschap.
1873Léon (?) Goldstein wordt geïdentificeerd als rabbijn met als adres Drongenhof 3.
1874Het Centraal Israëlitisch Consistorie schrijft aan de minister van justitie dat de toelage die de staat geeft voor de gemeenschappen in Antwerpen (500 fr.) en Gent en Luik (400 fr.) volstrekt ontoereikend zijn om zelfs in de eenvoudigste levensbehoeften te voorzien (09/10/1874).
1875Op 19 mei meldt het Consistorie aan de stad dat Jacobs-Parera Goldstein voorlopig vervangt als ministre-officiant. Goldstein is immers als rabbijn aangesteld in Luik, ter vervanging van rabbijn Stern.
1876Een Koninklijk Besluit van 27/01/1876 verhoogt de toelage voor de Antwerpse gemeenschap van 700 naar 800 fr. Luik en Gent krijgen voortaan 550 fr. in plaats van 400 fr.
1879De Wegwijzer der Stad Gent meldt dat de synagoge zich bevindt in Drongenhof nr. 3 en dat Gerson Parera, wonende in de Hertogstraat nr. 23, rabbijn is.
1870-1880Napoléon Rinskopf is schatbewaarder en voorzitter van de joodse gemeenschap. Zijn zoon Benoît Robert Rinskopf wordt ingenieur, industrieel en burgemeester van Gentbrugge. Zijn kleinzoon Léon Rinskopf (van zijn andere zoon Charles Rinskopf) wordt componist, leraar aan het conservatorium van Gent en dirigent in het Kursaal van Oostende.
1874 (?)Kort na de openstelling van de nieuwe gemeentelijke begraafplaats aan de Palinghuizen (Brugse poort), wordt ook aan het joods perceel van 1855 een eind gesteld. Sind 1874 kan de geloofsovertuiging immers niet langer ingeroepen worden voor het verkrijgen van een aparte begraafplaats.
1881Max Lubliner is secretaris van de gemeenschap, die haar officieel adres aan de Burgstraat 34 heeft.

Op 14 mei geven de voorzitter en de secretaris van de gemeenschap een negatief advies over de vraag van David Gerson Parera om bedienaar te mogen zijn, aangezien hij ook nog het beroep van pedicure uitoefent.

Op 2 juni 1881 schrijft David Gerson Parera inderdaad dat hij het beroep van pedicure uitoefent (“profession laquelle est considérée comme une branche de l’art de guérir”) sinds zijn aankomst in België in 1843. Hij is assistent-Rabbijn zonder bezoldiging sinds 1855 en effectief rabbijn sinds 1875, “nommé à ces fonctions après examen et enquête”. Nooit hebben het Consistorie, noch de groot-Rabbijnen Astruc en Dreyfus geoordeeld dat zijn beroep incompatibel zou zijn met zijn religieuze functies.

De Gemeenteraad geeft een positief advies over het feit dat Gerson David Parera tegelijk het beroep van rabbijn wil uitoefenen als dat van “pédicure”. Het ministerie van justitie betoelaagt bedienaars van de erediensten die een tweede beroep willen uitoefenen enkel indien er expliciteit toestemming hiervoor wordt gegeven door de overheid. De Gemeenteraad is positief gezien de zeer bescheiden verloning voor de rabbijn: “il est matériellement impossible que le ministre-officiant pourvoie aux nécessités de la vie – surtout quand il a une famille – s’il en est réduit à son modeste traitement.”

1883 Op 07/04/1884 vraagt de Gentse burgemeester aan de Gouverneur een verhoging van de toelating voor de rabbijn en stelt dat de joodse gemeenschap op dat moment meer dan 300 leden telt. Inmiddels heeft Samuel Cohen zes kinderen en de toelage die hem wordt gegeven volstaat allerminst.
1884Samuel Cohen is rabbijn nadat hij zich, komende van Breda, met zijn familie in Gent heeft geïnstalleerd aan de Tichelrei (Quai des Tuileries) nr. 33.
1885Samuel Cohen vraagt middels een schrijven van de stad aan de minister van justitie om zijn jaarlijkse wedde van 1100 fr. te verhogen, in verhouding met de subsidies voor de protestantse en anglikaanse erediensten die resp. 3500 fr (voor een bevolking van minder dan 500) en 2400 fr (voor minder dan 100 zielen) krijgen. De grootte van zijn gemeenschap is volgens Cohen 300 zielen. “Dit overgroot verschil in het cijfer der jaarwedden is te veel in het oog springend om eenige verdere uitlegging noodzakelijk te maken.”
1888 Albert Weiss is tijdelijk rabbijn te Gent met de goedkeuring van het Centraal Israëlitisch Consistorie (16/07/1888).

De Gentse inwoonster Pauline Herman, overleden op 10 oktober 1888, laat in haar testament van 22 november 1886 bij notaris Michiels een (jaarlijks?) bedrag na van 11 s. aan de Gentse joodse Gemeenschap. De stad Gent neemt op 12 juli 1889 akte van de beslissing van de Gemeenschap om het testament te aanvaarden, nadat ze het eerst geweigerd had gezien het geringe bedrag van de nalatenschap en de te hoge successierechten.

Op 24 juni 1888 is het bestuur van de Gemeenschap als volgt: D. Jacops-Parera, voorzitter, Max Lubliner, secretaris, J. Van Dantzig, schatbewaarder en G. Duivepart, bestuurslid. Lubliner en Parera laten de stad schriftelijk weten dat hun gemeenschap 173 leden telt. De stad laat weten aan het Consistorie dat Parera vervangen wordt door Samuel Marcus Cohen.

1889Op 11 maart is de voorzitter van de Gemeenschap D. Jacobs-Parera, secretaris Max Lubliner en lid J. Van Dantzig. Op 5 juli wordt dit: Benjamin Segall, voorzitter, Emile Hirsch, secretaris-schatbewaarder, Arnold Cohn, administrateur en S. Joseph, “ministre officiant”.
1890De joodse gemeenschap is samengesteld uit ongeveer honderdtwintig families. Op 03/02 laat Jacobs-Parera weten dat hij sinds 01/09/1889 geen voorzitter meer is van de gemeente. Max Lubliner neemt het interim waar, maar die heeft nu ook zijn ambt neergelegd. Jacobs-Parera vraagt de stad om zich te wenden tot het Centraal Consistorie.

Max Lubliner laat op 8 februari weten dat hij niet meer behoort tot de gemeenschap en dat Emile Weil hem opgevolgd is als administrateur. Op 1 maart informeert de stadsadministratie het college dat er een vacuüm is in het bestuur van de gemeenschap. Op 7 maart nemen Parera en Lubliner ontslag als voorzitter en secretaris. Het K.B. van 7 februari 1876 bepaalt immers dat de raad van bestuur dient te bestaan ui de bedienaar van de eredienst en vier verkozen leden, die partieel moeten vernieuwd worden. Het vacuüm is van korte duur, want de samenstelling van het bestuur van de gemeenschap is op 8 juni 1890 andermaal als volgt: Max Lubliner, voorzitter, Emile Weil, secretaris, G. Duivepart, bestuurslid. A. Weiss is “ministre officiant provisoire”. Op 9 september wordt Weiss evenwel door het Consistorie al voorlopig vervangen door Abraham Goedhart.

Op 16 juli laten Lubliner en Weil weten dat de synagoge verhuisd is van de Drongenhof nr. 7 (rue du Bac) naar de Tuinstraat nr. 50 (rue du Jardin).

1891Max Lubliner en Emile Weill stellen Samuel Joseph uit Luik aan als rabbijn te Gent met 1.200 francs staatssubsidie en als taken: eredienst in de synagoge, onderwijs, slachten van vee en gevogelte (de “porshen”), beheer van de heilige boeken en de cultusobjecten. Hij mag de stad niet verlaten zonder toestemming en moet bij ontslag drie maanden vooropzeg geven.
1894Het Bestuur van de joodse gemeenschap is samengesteld uit: Max Lubliner, voorzitter, Arnold Cohn, secretaris-schatbewaarder, G. Duivepart en Benjamin Segall (verkozen ter vervanging van E. Weill).
1897Partiële vernieuwing van de Raad van Bestuur: G. Duivepart en Max Lubliner worden herkozen.

De Gentse joodse burger D. Jacobs Parera schenkt de Joodse gemeenschap Amsterdam een som van f 2 38 (fr. 5.) voor vier ouderlooze weezen (Nieuw Isr. Weekblad, vol. 33(1897), nr. 23, p. [3], 26/11/1897).

1898Op 22/08 zijn Benjamin Segall en J.B. Elze respectievelijk voorzitter en secretaris/schatbewaarder van de gemeente ter vervanging van Max Lubliner (die de stad verlaat) en Arnold Cohn. Cohn en Duivepart blijven lid. Op 31/10 laat Segall aan de stad weten dat J.B. Elze ontslag neemt en vervangen wordt door Emile Hirsch.
1899Benjamin Segall is voorzitter en Emile Hirsch secretaris. De Gouverneur laat aan de stad weten dat rabbijn Samuel Joseph een toelage krijgt van 1.400 francs.
1900De Raad van Bestuur van de joodse gemeenschap bestaat uit Samuel Joseph, Benjamin Segall, Emile Hirsch, Arnold Cohn en Gustave Duivepart. Op 16/08/1900 schrijft David Gerson Parera de stad aan i.v.m. het budget en het beheer van de gemeenschap, met de bedoeling aan te tonen hoe slecht en hoe irregulier de synagoge wel werd bestuurd in de voorbije periode. Op 18/09/1900 vraagt de stad aan rabbijn Samuel Joseph of the correct is dat een deel van de synagoge wordt onderverhuurd en, zo ja, tegen welke huurprijs, sinds hoelang en sinds wanneer. Joseph antwoordt dat de onververhuur door hem gebeurt en niet door de gemeenschap. Met een gedeelte van deze onderverhuur betaalt hij een deel van zijn persoonlijke huur. Het gedeelte dat onderverhuurd is, is een arbeiderswoning die sinds ongeveer drie jaar verhuurd is à 18 francs per maand, zonder enig contract. Daaroor was de woning verhuurd aan meerdere huurders die echter wanbetalers waren. Samuel Joseph sterft echter reeds op 03/11/1900.
1902De Raad van Bestuur van de joodse gemeenschap bestaat uit Benjamin Segall (voorzitter), Hertog (tijdelijk secretaris) en Joseph Heymann (schatbewaarder) ter vervanging van Emile Hirsch die de stad verlaten heeft.
1912De Poolse student Victor Alter (1890-1943) studeert aan de Universiteit Gent af als ingenieur en trouwt met een Vlaamse vrouw, “flinke” Melanie Lorein (1886-1977), die aan de Universiteit lichamelijke opvoeding had gestudeerd [s1, s2, s3]. Hij wordt een belangrijk leider van de joodse Bund in Polen en Rusland. Vermoedelijk in 1943 wordt hij met de toelating van Stalin geëxecuteerd. Voor hem en Henryk Erlich zijn in Warschau en in New York monumenten opgericht.
1913van 1913 tot 1931 en wellicht nog later fungeert J. Hertog als rabbijn of Gents “ministre du culte”.
InterbellumTot vóór 1940 studeren heel wat joden, afkomstig uit het huidige Roemenië, Polen, Tsjechië en Slovakije en elders aan de Gentse universiteit. De meesten van deze weinig bemiddelde studenten worden ingenieur en zwermen daarna de stad uit. Ze zijn er actief in het studenten- en culture leven. Joodse studenten zijn geduchte schakers in de schaakclub Het Rode Schaakbord.

Aan de Universiteit Gent tellen we volgens het onderzoek van Pascale Falek zo’n 90 joodse vrouwelijke studentes uit Oost-Europa (tgo. 555 in Brussel en 428 in Luik). Dat is vrij veel op een totaal van slechts 400 vrouwelijkse studentes in het algemeen. Nationale studentenverenigingen in Gent voor Roemenen en Polen waren rond 1927-1929 niet erg voor het opnemen van joodse studenten en zouden zelfs anti-semitisch gedrag vertoond hebben [s].

1940Een aantal Gentse joden wijkt uit naar het onbezette Frankrijk en sommigen raken over zee. Tijdens de eerste maanden van de Duitse bezetting echter, besluiten heel wat gevluchte joden naar België terug te keren en weer aan het werk te gaan.

Vanaf oktober verschijnen echter de Duitse “Verordnungen” tegen de joden: is jood diegene die afstamt van drie grootvaders van joods ras. Wordt als jood beschouwd gelijk wie die afstamt van twee joodse grootouders die de joodse godsdienst beleden, of degene die gehuwd is met een jodin. In geval van twijfel wordt elkeen die tot de joodse eredienst is toegetreden als jood aanzien. Kort nadien worden de joden verplicht zich in hun woonplaats te laten registreren. Het speciaal register bevat behalve namen en voornamen ook de geboortedata, beroepen, nationaliteit en religie. Hun identiteitskaarten worden voorzien van het woord “jood”. Ongeveer 43.000 joden melden zich ter registratie aan.

Gaandeweg worden de bepalingen scherper: joodse dokters, tandartsen en verplegers mogen alleen nog joden verzorgen. Een jood kan geen journalist, geen advocaat of leraar worden. Joden zijn verplicht een affiche met daarop “joodse onderneming” uit te hangen. Alle publieke functies worden de joden ontzegd.

1941Oprichting van de Vereniging der joden in België door de Duitse bezetter, die het alleenrecht heeft de joden in België te vertegenwoordigen. Voor Gent wordt rabbijn Michaël Lustig als plaatselijk voorzitter aangeduid. Zijn zoon David Lustig, wordt als kandidaat in de natuur- en geneeskundige wetenschap de toegang tot de Gentse Universiteit ontzegd. [s, Vande Casteele]

1942In Juli 1942 worden de Belgische joden opgeroepen voor dwangarbeid in het Oosten. De joden mogen niet meer in Gent verblijven en worden samengetroept in Antwerpen, Brussel en Charleroi.

Het dragen van de gele ster wordt verplicht en het aantal razzia’s wordt opgedreven. Heel wat joden in Gent vinden een onderduikadres. Daar zijn ook ‘niet-Gentse’ joden bij zoals de befaamde Antwerpse componist en virtuoos Alex De Vries en zijn broer David De Vries, journalist en eveneens Antwerpenaar.

Begin september worden Gentse joden gedeporteerd naar de concentratiekampen.Van de naar schatting driehonderd joden die bij het uitbreken van de oorlog te Gent gevestigd waren, kunnen ongeveer honderdvijftig aan de holocaust ontsnappen.

1943Op 1 juli wordt de Gentse rabbijn Michaël Lustig samen met zijn familie (zoon David en dochter Charlotte) gearresteerd en overgebracht naar Mechelen [s] [s, Vande Casteele].

1945Op 17 mei informeert stadsambtenaar R. De Clippel aan P. Mast, bestuurder der rechtzaken, dat het huis gehuurd door rabbijn Lustig door de bezetter was in beslag genomen en sinds de bevrijding door de geallieerde legers was bezet met de bedoeling om uiteindelijk terug over te gaan naar de eigenaar. Het huis was echter ook synagoog, waardoor het “Comité” tot Verdediging der Joodsche belangen” in Gent de stad verzoekt een nieuwe gebedsplaats ter beschikking te stellen. De ambtenaar vraagt zich af of hij door burgerlijke opeising een geschikt lokaal ter beschikking mag stellen. Mast antwoordt op 22/05/1945 dat de gemeenten niet verplicht zijn een tempel ter beschikking te stellen, maar enkel een woonst of een huurvergoeding aan de rabbijn te verschaffen. Het opeisen van een huis is dus uitgesloten. Van een woonstvergoeding gelijk aan dewelke de pastoors ontvangen, kan wel sprake zijn.

1960Op 1 april wordt Chaïm Rachfeld aangesteld als rabbijn te Gent, van oorsprong uit Brussel, met als officieel adres Savaanstraat 14.

1962De Bestendige Deputatie beslist dat de bedienaar van de eredienst in Gent een woonstvergoeding van 24.000 fr. kan krijgen, naar analogie met de bedienaars van de protestantse, de Anglikaanse en de tweede-rangsparochies van de Rooms-Katholieke kerk (eerste-rangsparochies: 30.000 fr.). Chaïm Rachfeld heeft daar pas sinds 1962 recht op aangezien daarvoor de wettelijke voorschriften nog niet nageleefd waren, nl. indienen van een begroting, het vaststellen van een borgtocht voor de schatbewaarder en de bewijzen van de huishuur.

1965S. Kotek, voorzitter van de gemeenschap, informeert de stad dat Maisner sinds 01/01/1965 bedienaar van de eredienst is met als adres Sint-Lievenslaan 51, tevens adres van de synagoge.

Joodse burgers in Gent voor WO II

Cohen, Samuel
Geb. te Breda in 1840. Laat zich, komende van Breda, op 01/05/1883 te Gent inschrijven met als adres Tichelrei nr. 33. Hij is getrouwd en heeft, voor zover wij weten, 4 kinderen. Politiecommissaris De Loo schrijft op 31/03/1885 dat de familie erg arm is: “Il se trouve dans le besoin ou pour mieux dans la misère. (…) A mon avis il est urgent de lui venir en aide en lui accordant une augmentation d’appointement.” En voegt er aan toe: “Depuis qu’il est à Gand sa conduite a été irréprochable.”

Cohn, Arnold
Zoon van Tzvi Hirsch Hermann Cohn (1831-1907) en Henrietta Jocheved Bleichrode.
Geb.: 12/11/1858 te Inowrocław (Pruisen, nu Polen)
Overl.: 1925
Getr.: 1891 met zijn nicht Jenny Bleichrode (05/10/1866-1934 te Berlijn)
Kinderen: Henriette Cohn (Gent, 1894-1934), Alfred Cohn (Gent, 1892-Brussel, 1969), Margarethe Cohn (Gent, 1892-holocaust)
Link

Duivepart, Gustave (Gabriël)
Geb.: 1839 te Rotterdam
Adres: Keizer Karelstraat 105

Elze, Joseph
Vermeld: 13/09/1900

Goldstein, Philippe (Léon?)
°1837
Wordt op 05/07/1872 plaatsvervangend rabbijn benoemd.
Adres: Drongenhof (rue du Bac) nr. 3.
Getrouwd met Julie Stern (° Eysden, 11/02/1845), 4 kinderen: Caroline, Henriette, Jacques en Ernestine (08/01/1873).

Herman, Pauline
Overl.: 10/10/1888 te Gent

Heymann, Joseph
Handelaar in de Langemunt (02/11/1902)

Hirsch, Emile
Geb.: 21/08/1877 te Wurselen (“né en Russie, à Gand depuis 1896”)

Jacobs-Parera, Gerson David
Geb. 05/08/1808 te Rotterdam, besneden 18/08/1808.
Getrouwd op 23/03/1843 met Dina Kivo Hartog. Dochter: Hester Gerson Parera, °05/05/1843.

Joseph, S.
Beroep: Ministre officiant (05/07/1889)

Lubliner, Max
1879: handelsvertegenwoordiger in de rue longue du marais (Lange-meer).
Varia: In de Monhtly Consular and Trade Report van 1893 (US Bureau of Manufactures, vol. 43, nos. 156-159) lezen we dat “Max Lubliner, importer of grain (143 rue des Baguettes), says that he is selling American wheat, corn, oats, rye, flaxseed, and oil cakes ; all imported via Antwerp. He expresses the opinion that the establishment of a direct line of steamships between Ghent and the United States would greatly facilitate and increase the trade. In this respect I must repeat that it is not safe for vessels drawing more than xxx feet to enter the Ghent-Terneuzen Canal.”

Lustig, Michaël
Geb. 1891, Polen.
Overl. vermoedelijk 1944, concentratiekampen.
Gehuwd in 1918 met Regina Gutwirth afkomstig uit Antwerpen.
Woonde vanaf 1936 eerst in de Hofstraat, vervolgens aan de Coupure nr. 19 (nu 91). [s – Vande Casteele]

Lustig, David
Zoon van Michaël Lustig.
Geb. 1922.
Overl. vermoedelijk 1944, concentratiekampen.

Lustig, Charlotte
Dochter van Michaël Lustig.
Geb. 1919.
Overl. vermoedelijk 1944, concentratiekampen.

Samuël, Joseph
Geb.: 05/11/1849 te Neustadt

Segall, Benjamin
Geb.: 1848 te Plousani
10/04/1903, stad aan gouverneur:

  • Beroep: “Courtier en lin”
  • Adres: Kortrijksesteenweg 101
  • “Hij doet goede zaken en schijnt voldoende kredietwaardig te zijn om, ter vervanging van Joseph Heymann als schatbewaarder op te treden van de joodse gemeenschap.”
  • Zoon en dochter

Van Dantzig, J.

Van Praag, David
Rabbijn te Gent (Stad aan Gouverneur, 21/06/1832)

Weil, Emile
Veldstraat 64

Weiss, Albert
Tijdelijk rabbijn te Gent met de goedkeuring van het Centraal Israëlitisch Consistorie (16/07/1888)